Charles Nagtzaam

Charles Nagtzaam: "Het theater werkt als een vergrootglas."

Bassist Charles Nagtzaam dacht altijd dat hij gitarist of drummer zou worden, maar pakte op zijn vijftiende een bas vast en dacht: 'dit is het, dit snap ik'. Sindsdien weet hij dat de bas zijn instrument is. Via lokale bandjes, het Arnhemse conservatorium en diverse tours in het theater kwam hij uiteindelijk bij Frank Boeijen terecht, waarmee hij momenteel de theatertour 2001 doet.

Hoe ben je het theatercircuit terechtgekomen?

"In Arnhem studeerde ik contrabas bij Henk Haverhoek een erg goede docent. Oorspronkelijk wilde ik naar Hilversum, zoals veel jongens in die tijd, maar ik dacht dat ik er nog niet klaar voor was en zag Arnhem als een opstapje naar andere opleidingen. Uiteindelijk ben ik in Arnhem blijven hangen, omdat ik merkte dat de contrabas ook toepasbaar was in de popmuziek. Omdat daar ook de mogelijkheid ontstond voor basgitaarles kon ik dus in beide hoofdvakken af studeren. Ik had de kortere weg kunnen kiezen en al eerder dingen kunnen gaan doen, maar ik wilde me persé concentreren op dingen die ik nog niet kon spelen. Ik heb me jaren toegelegd op jazz- en fusionmuziek. Na de opleiding ben ik ongeveer een jaar contrabas gaan spelen bij René Shuman. Daarna kwamen al vrij snel de theaterdingen. Als eerste met Rob Janszen, met wie ik al tijdens mijn conservatoriumtijd speelde, daarna met Harry Sacksioni en vervolgens Gé Reinders. In 1998 werd ik gevraagd voor de 1999 tour met Frank Boeijen. We hebben wat demo's gedaan van nieuwe songs en deden wat festivals in België om elkaar af te tasten en dat klikte goed. Een maand later zat ik in de Real World Studio's van Peter Gabriel in Bath voor de opnamen van De Ballade van de Dromedaris. Natuurlijk heb ik daarvoor ook wel in allerlei bandjes gespeeld, soul en funk voornamelijk. Daar heb ik veel plezier aan beleefd en dan met name het bandjesgevoel, samen met een busje op pad. De theaterwereld is niet een bewuste keuze geweest, dat is meer vanzelf zo gekomen."

Wat zijn volgens jou de belangrijkste kenmerken van het spelen in theaters?

"In het theater word je geconfronteerd met alle theaterwetten. Je moet je bezig houden met de details en heel zorgvuldig je optredens opbouwen. Zaken als de volgorde van een set, de lijn in een optreden, zijn bijvoorbeeld heel erg belangrijk. Het publiek moet met een bepaalde verwachting de pauze ingaan. Vergeleken met de gemiddelde kroeg is het theater toch meer een soort toverdoos, waarin alles onder een vergrootglas ligt. Het publiek kiest heel bewust voor een voorstelling en gaat dan pas daarna een biertje drinken. In de kroeg gaat het vaker om de gezelligheid in combinatie met live-muziek. Daar kun je iets gemakkelijker bluffen of nonchalanter spelen. In het theater zitten mensen rustig op hun stoel te luisteren en te kijken, die zijn niet gek, die moet je als het ware meevoeren door de voorstelling. Dat eist een ander soort concentratie. Natuurlijk komt het theatrale aspect soms ook om de hoek kijken. Bij Rob Janszen was dat heel sterk. Daar moest ik voor de pauze ook echt rollen spelen. Daar moest ik wel heel erg aan wennen, want je bent natuurlijk op de eerste plaats muzikant en geen acteur. Bij Frank is dat veel minder het geval. Dat is toch meer een bandje in het theater. Natuurlijk letten we ook op kleding, sfeer en beweging, maar dat is allemaal veel vrijer."

Naast je concerten met Frank Boeijen geef je nu ook zelf les op het conservatorium. Wat zijn de dingen die je je leerlingen probeert mee te geven?

"Dat is toch proberen zoveel mogelijk bij je hart te blijven. Je moet als het ware leren zingen op je instrument. Het moet een verlengstuk worden van jezelf. Techniek is belangrijk, maar zonder ziel en passie is het niets. Probeer uit te zoeken wat je wilt, wat bij je past, wat je zelf te gek vindt. Alleen dan houd je het lang vol. Het is soms moeilijk om die boodschap over te brengen bij jonge bassisten. Zij concentreren zich vaak nog teveel op de techniek omdat ze weinig muzikale geschiedenis hebben. Dat moet dus allemaal groeien. Ik neem mijn leerlingen in principe vier jaar mee. Dan zie je vaak dat ze door veel samen spelen langzamerhand een eigen stijl en geluid ontwikkelen. Zoals overal heb je in de muziek ook zoekers en vinders. Mensen als Marcus Miller of Victor Wooten zijn heel zeldzaam. Die kunnen alles spelen en zijn ook nog erg muzikaal. Wat erg belangrijk is, is de timing. Die moet zwaar o.k. zijn. Speel voor mijn part een rare noot, als hij precies op de goede plek zit swingt het als de hel. Een goede sound en muzikaliteit dragen ook bij aan de feestvreugde natuurlijk! Maar de rest is 'the icing on the cake'."

Wat voor bassist ben je zelf?

"Ik ben een bassist die gaat voor de song. Ik wil in een song kunnen kruipen en daar meerwaarde aan kunnen geven. Ik hou van veel soorten muziek. De "jazz- of funk- of rockpolitie" zoekt het maar uit, daar doe ik niet aan mee! Ik vind veel lekker, maar het moet wel diepgang hebben. Een avond grooven -doing it to death, zoals James Brown zei- kan te gek zijn, maar ik wil meer. Het liedje moet de baas zijn. Tekst en inhoud zijn bijvoorbeeld voor mij ook heel belangrijk. Of dat nu met woorden is, zoals bij Frank, of dat je zoals Harry Sacksioni met behulp van een melodie en compositie een verhaal verteld, dat maakt niet uit. Toen ik net van het conservatorium af was, dacht ik dat ik als freelancer of sideman zou gaan werken. Nu weet ik dat ik toch een echte bandjesman ben. Het hele groepsproces van samen componeren en arrangeren is voor mij erg belangrijk. Bovendien, als je zo'n vijfenzeventig voorstellingen met elkaar doet, moet je elkaar ook buiten het muzikale mogen. Pas dan wordt het een echt bandje. Ik heb ook wel eens solostukken gedaan, maar dat zoek ik niet op. Ik heb wel ideetjes, maar die moet ik nog eens samen met iemand uitwerken. Een pure bas cd zou ik niet willen maken. Meestal luister ik die zelf ook niet uit..."

Charles over zijn spullen:

"Passieve bassen zijn mijn favoriet. Ik beschik nu over een 1967 Fender Jazzbass. Dat is mijn speelmaatje. Mijn werkbas is momenteel een Deense bas, de Celinder Jazzman Vintage Five. Op de elementen na doet die mij het meest denken aan een oude Fender. De Celinder heeft passief hoog en actief laag. Verder heb ik een fretloze F-Bass, de BNF-5 en natuurlijk de v/d End bassen, waarvan ik gefrette en fretloze vijfsnaren heb. Mijn contrabas is een Boheems ding uit 1860. Ik weet er verder niets van, behalve dat hij goed klinkt. Ik versterk hem uit met een Wilson element met vier piezo's en een Crown microfoontje bij het klankgat. Daar maak ik dan weer een mix van. Voor mijn versterking gebruik ik de spullen van Eden. Voor de theatershows heb ik 2x D-210XLT met een Metro combo. Voor festivals een D-210XLT en een D-410XLT met de WP-100 Navigator voorversterker en de WT-1000 eindtrap. Effecten vind ik vaak het mooist als ze uit staan, maar ik heb me onlangs laten verleiden tot de aanschaf van een Line-6 loop-delay. Een goed apparaat. Met de loop sampler kun je je timing goed testen en jezelf begeleiden. De delay is uiteindelijk mooier dan galm. Maar ja, je moet er wel voor oppassen dat je de effecten niet uit armoede gaat gebruiken. De keuze van snaren is min of meer proefondervindelijk ontstaan. Sommige bassen werken met sommige snaren gewoon beter. Op de Celinder gebruik ik Sadowsky. Op de F-Bass LaBella Supersteps, op de v/d End DR of Elites of Dean Markley Will Lee en op de JazzBass Elixir of DR of D'Addario of whatever. Allemaal in een standaard set van .045-.105 met een .128 voor de lage B. Drinken: voor het optreden witte wijn bij het eten. In de pauze en na de show af en toe géén (wit)biertje. Roken: in principe niet, maar ja: genieten gaat met vallen en opstaan...

Foto:© Karlijne Pietersma