William Nuruwe

William Nuruwe: 'Je kan niet om me heen.'

Een snel interview, bij een hamburgerketen langs de snelweg, want William heeft een volle agenda. De meeste mensen kennen hem nog van zijn tijd bij Total Touch. Nu speelt hij zo'n 180 keer per jaar met de Brabantse Mill Street Band, een professioneel top honderd orkest.

'Vertel eens iets over je muzikale geschiedenis.'

'Ik speel nu zo'n 18 jaar en sinds 1994 professioneel. Ik ben opgegroeid in een Molukse wijk in het dorpje Farmsen in Groningen. Daar was altijd en overal muziek. De muziek lag er als het ware op straat. Ik leerde van mijn vader en oom en zo ben ik er eigenlijk vanzelf ingerold. Lokale bandjes, eigen repertoire, in kroegjes spelen je kent het wel. Ik ben toen MTS en HTS electronica gaan studeren, maar daar ben ik toch mee gekapt. Ik wilde de muziek in en ben naar het conservatorium in Hilversum gegaan. Omdat ik nog steeds in Groningen woonde besloot ik het conservatorium in Groningen af te maken.'

'Was dat geen grote overgang, van Hilversum -waar het in die tijd toch allemaal gebeurde- naar Groningen?'

'Nee, in Groningen kon ik gewoon basgitaar doen op de afdeling lichte muziek. Het ligt gewoon helemaal aan jezelf. Ik was toen al muzikant, ik kon al spelen, ik kwam er alleen om bij te leren. Bovendien deed ik veel sessies in Amsterdam samen met Georgio Bletterman. We hadden het heel druk als ritmesectie.'

'Daarna ging het allemaal nogal snel met je carrière?'

'Ja, zeker. Ik kwam bij Bob Color terecht en heb heel veel met hen gespeeld. Dat voelde echt goed. Het was een goede bezetting zowel muzikaal als persoonlijk. Daarna werd ik gevraagd voor het Nillson Project, een theatershow met Bill van Dijk. Ondertussen deed ik ook optredens met Gordon. Toen kwamTotal Touch. Uiteindelijk heeft dat niet zo lang geduurd, van 1998 tot en met 1999. Er is zo'n beetje op het hoogtepunt een einde aan gekomen en dat vond ik erg jammer want dat bandje had veel meer gekund en dan bedoel ik over de grens. Maar ja, niks aan te doen. Dat is nu eenmaal de consequentie van de keuzes die er werden gemaakt. Ik heb af en toe nog contact met Tjeerd Oosterhuis. We deden wel sessiedingen samen en ik heb dingen ingespeeld voor de cd van K-otic. Ik zou ook een theatertour met Gordon doen, maar door allerlei omstandigheden ging dat niet door.

'Dat lijkt me lastig, twee-drie jaar aan de top en dan is het opeens over. Wat dan?'

'Tja, inderdaad, dat had ik de eerste tijd ook wel. Maar je moet altijd vechten en voor jezelf kiezen. Je bent muzikant, dus je gaat gewoon door. Ik ging toen bij UJ spelen (U-Gene en Oh-Jay with friends) en nu speel ik sinds anderhalf jaar bij de Mill Street Band. Dat is als een vaste baan. Ik ben partner in het bedrijf. Dat gaat allemaal heel professioneel, zowel bedrijfstechnisch als muzikaal. Per januari 2002 ga ik bij de First Show Band spelen. Daarnaast doe ik natuurlijk veel sessie en studiowerk tussendoor. Dat zijn ook leuke dingen, zoals met Juan Wells. Dan sta je weer een middag kinderen te vermaken in AHOY.

'Je doet meer dingen voor jongeren heb ik begrepen?'

'Ik ben bezig met een project dat voortvloeit uit School's Out een soort schoolconcerten voor het Kunstenbureau. Het heet Black Music Project. Het gaat over de ontwikkeling van de zwarte muziek sinds de jaren 1960. We laten nummers horen en leggen dingen uit. We laten bijvoorbeeld al die nieuwe R&B mixen horen naast het origineel zodat ze een beetje begrijpen waar het allemaal vandaan komt. Ik vind dat heel belangrijk, het is een vorm van cultuuroverdracht. Waar kunnen kinderen tegenwoordig nog een bandje zien, even afgezien van de clips op MTV of TMF. Het is natuurlijk werk, maar ook erg leuk. Die interactie met het publiek is altijd heel belangrijk. Maak de mensen blij en je krijgt het terug.'

'Wat is je eigen muzikale voorkeur? Wat leg je zelf thuis op de draaitafel?'

'Dat is heel wisselend. R&B, vroeger heel veel fusion, daar heb ik veel van geleerd. Maar ook jazz en klassiek. De laatste tijd luister ik weer veel naar pop. Het maakt me niet zoveel uit, als het maar goed is. Goed gespeeld en het moet natuurlijk vet klinken. Ik hou niet van slap gedoe. Dat geldt ook voor het spelen. Dat is zo vluchtig, vier minuten later is het voorbij, dus het moet goed zijn. Je kunt een nummer spelen zoals het er staat, of met een eigen intentie. Ik kies voor het laatste, zet anders maar een cd aan, dat kun je live toch nauwelijks benaderen.

'De obligate vraag: wat zijn je favoriete bassisten en hoe zou je jezelf typeren?'

'Dat dacht ik al, dat die vraag zou komen. Natuurlijk de bekende jongens zoals Patitucci, Marcus Miller, Pino Paladino. Maar ook iemand als Randy Jackson, die hoorde je vroeger veel en kon mooi simpel spelen. Mijn grote voorbeeld is toch wel Anthony Jackson. Bij hem is eigenlijk alles goed, de sound, de timing en feel en hij is ongelofelijk strak en creatief. Hij is de man die één noot over vier of acht maten blijft spelen, terwijl de accoorden maar doorlopen. Dan heb je zoiets: "dat ik daar zelf niet aan gedacht heb". Ik zie mezelf als een bassist waar je niet omheen kan. Als mensen me kennen weten ze wat ik bedoel. Mijn sound is heel vet, ik ben behoorlijk aanwezig, maar probeer natuurlijk wel in dienst van het nummer te spelen. Ik zie dat niet als een stapje terug, maar meer als een leerschool. Ik probeer steeds minder noten te spelen, maar wel precies de goede. Dat leer je door ervaring. Ik doe nu ook de maandagavond sessies in The Ministry in Amsterdam (voorheen Naar Boven WH), dat is ook heel leerzaam. Er is een vaste band, een deejay met seventies en eighties disco en er komen goede muzikanten. Heel trendy allemaal. Door veel van dit soort verschillende dingen te doen wordt je steeds meer allround. Belangrijk voor een bassist om goed aan het werk te blijven in het commerciële circuit is dat je ook kan zingen. Er zijn er genoeg die kunnen bassen, maar als je ook kan zingen ben je veel beter inzetbaar.'

'Die vette sound van jou, waar komt die vandaan?'

'Goede bas natuurlijk, goede electronica en niet te vergeten de vingers!'

William en de spullen:

'Mijn basisbas is een vijfsnarige custom made Jazzbas van de Amsterdamse bouwer Dany Marcovich. Er zit een standaard set EMG J-bass elementen op met een aantal speciale features zoals variabel midden, een XLR aansluiting en een Hipshot op de lage B, die ik dan naar A kan stemmen. Dat is een allround bas, die kan klinken als een Precision of als Pastorius of als Miller. Ik gebruik nogal wat effecten. Op de vloer een Korg G-5 synth, een Digitech Vocoder/Talker, de BassBalls van Electro Harmonix en de Boss OC-2 octaver, een effect dat eigenlijk een must is voor de bassist, omdat ie in tegenstelling tot andere octavers een mooi randje vervorming heeft. Tegenwoordig word ik gesponsord door Peavey. In mijn rack zit een Tubefex programmeerbare voorversterker/effectprocessor. Als eindtrap gebruik ik de DPC 1400, een kleine lichte maar enorm krachtige digitale eindversterker. Als luidsprekers heb ik een 410TFX en twee 210TFX kasten. In het najaar komt er een nieuw combo uit met 2x10" luidsprekers en allerlei onboard effecten op basis van sound modelling. Daar ben ik ook erg benieuwd naar. Naast die Marcovich bas heb ik een Peavey Cirrus zessnaar en een Yamaha TRB Patitucci zessnaar. Nadat ik ooit Patitucci had horen spelen, heb ik onmiddellijk een viersnaar omgestemd naar ADGC. Toen kon ik ook mooi accoorden spelen en melodietjes. Later ben ik daarom overgestapt op een zessnaar. Verder heb ik nog een Fender Squier Jazzbass, met EMG's en een Hipshot. Zo'n open lage D klinkt toch altijd veel beter dan een gespeelde D op de B-snaar. Sommige mensen denken misschien dat al die spullen luxe is. Zo zie ik dat niet. Het is mijn werk, mijn gereedschap. Dat moet gewoon goed zijn. Met snaren heb ik echt een probleem. Ik heb van alles geprobeerd, maar het maakt niet uit. Of ik nu hele dure koop van R.Cocco of LaBella, of die goedkope van AX, na één keer spelen zijn ze dood. Misschien moet ik die snaren van Elixir eens proberen. Roken doe ik niet. Ik drink meestal niet. Soms een paar bacootjes na het optreden, ik hou mijn hoofd er graag bij.