De grote sprong voorwaarts: 1808-1870

'Ontneem Arnhem haar wandelingen, en men vermoordt de stad. Het zijn niet de huizen, de straten, de winkels of vermakelijkheden die de vreemdelingen lokken zich hier te vestigen, maar de mooie omgeving, het golvend terrein, de vele vergezichten, de frisse boslucht en de klaterende beekjes. Arnhem's bloei is afhankelijk van het behouden en vermeerderen van haar natuurschoon.'

Toen de Arnhemse journalist A.J.C. Kremer deze strofe in 1886 schreef, had Arnhem al geruime tijd een reputatie als recreatie- en woongemeente gelegen in het natuurschoon van de Veluwezoom. In het begin van de negentiende eeuw echter, voordat de vestingwerken waren afgebroken, was Arnhem niet meer dan een kleine provinciestad aan de Rijn.

In de loop van de negentiende eeuw zou Arnhem zich ontwikkelen tot een populaire vestigingsplaats. Die ontwikkeling zette in rond het jaar 1808. Toen stond het Rijk de buitenwerken van de vesting af aan de Gemeente Arnhem, die de gronden in eigendom kreeg. Men wilde de vestingwerken afbreken en er fraaie parkachtige gebieden aanleggen waar inwoners en zomergasten prettig zouden kunnen vertoeven. De in die tijd populaire landschapsarchitect J.D. Zocher werd benaderd voor een ontwerp. Hij voldeed aan dit verzoek maar zag zijn plan om financiŽle redenen niet uitgevoerd worden.

Pas na 1817 nam het werk een aanvang en werd er geleidelijk aan begonnen met de aanleg van pleinen, singels en plantsoenen op de gronden van de voormalige vestingwerken. De gemeente verkocht een aantal percelen van de grond aan particulieren om de aanleg van de verfraaiingen te kunnen betalen. In 1828 en 1829 kreeg de gemeente alle resterende gronden van de wallen en vesting in eigendom. Aangezien de stad, behalve in het zuiden, nu naar alle kanten open lag waren de omstandigheden optimaal om er iets moois van te maken. Als voorbeeld had het gemeentebestuur de Duitse kuuroorden in gedachten.

In de jaren dertig van die eeuw kwam de aanleg tot ontwikkeling. Inmiddels waren aan de singels, op de verkochte percelen, de eerste huizen en villa's verrezen. Het gemeentebestuur was er veel aan gelegen, dat aan het uiterlijk van de huizen aan de singels veel zorg werd besteed. Bij verkoop van de grond moest er door de eigenaar altijd een tekening van de gevel van het te bouwen huis ter goedkeuring worden overlegd. Bovendien stelde de gemeente eisen aan de kleuren van het pleister- en verfwerk. Ook de bewoners zelf deden veel aan de verfraaiing van hun huizen.

Aristocratie

Wat verder buiten de stad werd Arnhem omringd door een aantal landgoederen. Zij waren in het bezit van enkele zeer gegoede families. De belangrijkste waren: Zijpendaal, al sinds het midden der achttiende eeuw in het bezit van de familie Brantsen; Sonsbeek, in 1821 in het bezit gekomen van de familie van Heeckeren van Enghuizen; Klarenbeek, dat samen met Rennenenk en Angerenstein toebehoorde aan J. van Pallandt van Walfort en tenslotte Warnsborn, dat in 1841 eigendom was geworden van de gebroeders de Bruin, suikerraffinadeurs uit Amsterdam. Deze grootgrondbezitters slaagden ertussen 1835 en 1860 in, om hun bezittingen aanmerkelijk te vergroten door aankoop van de gemeentelijke heidegronden die ten noorden van de stad lagen. De aankoop van deze gronden had als oogmerk ze te cultiveren. Dit resulteerde in gedeeltelijke ontginning van de heide in landbouwgrond, maar ook in de aanleg van bossen. Dat laatste gebeurde om de eigen landgoederen Ťn het aanzien van de gemeente te verfraaien.

Zo werd Arnhem rond het midden van de vorige eeuw een stad gelegen aan de Veluwezoom, een gebied met veel natuurschoon. De stad was omringd door ruime, van plantsoenen voorziene singels waaraan vele statige herenhuizen stonden. Buiten Arnhem lagen grote particuliere landgoederen, die door ontginning verfraaid waren en daardoor de stad van een prachtige omgeving voorzagen. Het moet in die tijd geweest zijn dat Arnhem bekendheid kreeg als vestigings- en verblijfplaats voor Nederlands gefortuneerden. Doordat in Arnhem een aantal bestuurlijke instellingen zoals het gerechtshof en de rekenkamer van de Provincie Gelderland gevestigd waren en de stad tevens garnizoensplaats was, werd Arnhem in ruime mate bevolkt door hoge juristen, officieren en bestuursambtenaren die een voorname rol speelden in het openbare leven van de stad. Daarnaast waren de families die op de omringende buitens woonden vaak van adel en genoten veel aanzien. Dit gaf de stad al in het begin van de negentiende eeuw een zeker aristocratisch karakter. De combinatie van natuurschoon en aristocratie moet een factor zijn geweest die aantrekkingskracht uitoefende op de welgestelden.

In de negentiende eeuw was het buitenwonen van gefortuneerden geen onbekend verschijnsel. Dat pastte in het romantische natuurideaal van die tijd. Vele rijke stadsbewoners hielden 's zomers verblijf in een kleinere buitengemeente, bij voorkeur midden in het natuurschoon. Zo kende Arnhem ook haar zomergasten uit Amsterdam. Er woonden echter ook veel burgers van gegoede huize permanent te Arnhem. De stad moet in die tijd de voordelen van het stads- en landleven in zich verenigd hebben en als zodanig voor de 'society' een aantrekkelijke vestigingsplaats zijn geweest.

Neergang

In de tweede helft van de negentiende eeuw onderging de stad een aantal veranderingen die nadelig waren voor dit aristocratische en luxe karakter. Op de eerste plaats groeide de bevolking tussen 1847 en 1874 zeer sterk. In vergelijking met andere Nederlandse steden was deze groei zelfs explosief. De vestiging van de welgestelden bracht werkgelegenheid met zich mee in de bouwnijverheid en de dienstverlening. De werkgelegenheid op haar beurt lokte weer velen naar de stad. Deze ontwikkeling ging natuurlijk ook gepaard met stadsuitbreiding. Reeds in 1849 presenteerde de toenmalige stadsarchitekt H.J. Heuvelink een eerste plan van uitbreiding. Het werd in 1853 door de Arnhemse gemeenteraad aangenomen. De uitbreiding betrof de aanleg van de Rijnkade, de Weerdjes, demping van de Roermondsgracht en aanleg van een plein op die plaats. Naar het oosten voorzag het plan in aanleg van de Eusebiusbuitensingel en de nieuwe stadswijken Spijker- en Spoorwegkwartier. Resultaat van deze aanleg was wel, dat langzamerhand de pas aangelegde pleinen en singels met hun herenhuizen in de bebouwde kom kwamen te liggen. Tevens ontstonden er achter deze ring van herenhuizen een aantal sloppenwijken zoals Klarendal en de Rietebeek. Het gemeentebestuur had over het algemeen weinig aandacht voor deze ongewenste ontwikkeling. Ze werden immers door de facade van herenhuizen aan het gezicht onttrokken. Ook de nieuwbouw in het Spijkerkwartier werd niet wat het had moeten worden. Er verrezen geen villa's maar aaneengesloten rijen herenhuizen. Deze hadden weliswaar rijk versierde voorgevels, maar waren veelal opgesplitst in gescheiden boven- en benedenwoningen en hadden blinde zijgevels. Deze huizen beantwoordden vaak slechts aan de minimumeisen van de bouwverordening. Ze gaven Arnhem echter wŤl het aanzien van een luxe-stad, van welvaart en weelde.

Op de tweede plaats was de stad in 1875 wederom volledig ingesloten geraakt. Ditmaal niet door vestingwerken, maar door de spoorlijnen. Deze werden op zeer onvoordelige wijze en telkens tegen de zin van het gemeentebestuur dwars door de stad aangelegd. De eerste doorsnijding was die van de Rijnspoorweg tussen Arnhem, Utrecht en Amsterdam. De lijn werd in 1845 voltooid en in 1856 doorgetrokken naar Emmerich. Ze liep dwars door de stad en werd op een dam aangelegd. Zo werd het centrum van Arnhem naar het noorden en oosten afgesloten. De enige verbinding met de noordelijke en oostelijke stadsdelen werd gevormd door een drietal nauwe poorten. Vervolgens werd er bij de aanleg van de spoorlijn Arnhem - Nijmegen in 1875 gekozen voor een Rijnoverschrijding ten westen van de stad, in de Rosandepolder. Hierdoor werd de stad ook in het westen afgesloten.

Zo veranderde Arnhem in betrekkelijk korte tijd van een fraaie gedistingeerde plaats in een stad die wederom afgesloten was van haar omgeving en volgens een stadgenoot was volgebouwd met: 'opgepropte revolutiebouw.' Terwijl de meeste andere steden in Nederland pas na 1870 tot ontwikkeling kwamen zien we, dat Arnhems groei na 1880 stagneerde. Het zijn wellicht bovenstaande omstandigheden geweest, meer dan andere, die daar de oorzaak van waren. Aan Arnhems reputatie als vestigingsplaats voor welgestelden leek een einde te zijn gekomen. Velen die zich eerder in de stad gevestigd hadden zouden de stad weer verlaten -zo dacht men- om richting Den Haag te vertrekken. Deze stad had als residentie meer te bieden en genoot meer aanzien. Ook Het Gooi zou Arnhem concurrentie aandoen. Van oorsprong Amsterdamse welgestelden zouden zich liever daar vestigen sinds de spoorweg Amsterdam - Amersfoort gereedgekomen was. Het gemeentebestuur van Arnhem zag zich in de jaren tachtig van de vorige eeuw geconfronteerd met de situatie, dat de stad niet langer in trek was als woonplaats voor gefortuneerden. De vestiging nam drastisch af. In die tijd was men van mening dat die situatie buitengewoon ongunstig was voor Arnhem, omdat de bloei van de gemeente immers afhankelijk was van de aanwezigheid van welgestelde inwoners. Men zon op maatregelen die het tij konden keren.