Stagnatie en politiek antwoord: 1885-1910

Nu de grote vestiging van welgestelden in de ogen van de Arnhemse bestuurders verleden tijd was, trachtte men door een gericht beleid de 'leegloop' in Arnhem tegen te gaan. Misschien was men wel in staat de gefortuneerden door een aantal maatregelen opnieuw naar Arnhem te lokken. Daarvoor moest Arnhem een nog aangenamere woonplaats worden dan het al was. En dat kon door exploitatie van het de stad omringende natuurschoon, stadsverfraaiing, een gunstig belastingstelsel en culturele voorzieningen. Op deze gebieden voerde het gemeentebestuur een duidelijk beleid ten behoeve van de door haar zo belangrijk geachte doelgroep: de welgestelden.

De verwerving van landgoederen

Reeds bij de eerste stadsuitbreiding, bij de aanleg van singels en plantsoenen was gebleken, dat een mooie omgeving een vestigingsfactor van belang was. Ook nu meende men, dat door te woekeren met natuurschoon, de gemeente haar vroegere bloei kon terugkrijgen. In 1886 begon de gemeente met het aankopen van enkele van de haar omringende landgoederen. Op zichzelf was dit een opmerkelijk gebeuren, wanneer men bedenkt dat nog geen vijftig jaar eerder de gemeente grote delen van haar landelijke eigendommen aan particulieren had verkocht.

Klarenbeek

Als eerste werd in 1886 een deel van het landgoed Klarenbeek aangekocht. Het ging hierbij om een perceel van ongeveer honderd hectare. Het landgoed was in eigendom van de familie van Pallandt en werd in dat jaar publiekelijk geveild. Wethouder van financiŽn H.J. Cordes motiveerde de aankoop met de argumenten dat de gemeente de bossen voor slopers wilde behoeden, dat Arnhems aantrekkelijkheid erdoor werd behouden en dat dit een gunstig effect op de vestiging van welgestelden zou hebben. Ondanks de kritiek in de gemeenteraad dat deze uitgave de belastingen omhoog zouden drijven en de welgestelden ervan zouden weerhouden zich in Arnhem te vestigen, had men alom veel waardering voor de beslissing het landgoed te kopen. Het was de eerste grote uitgave die de gemeente deed sinds 1881. Er werd een lening voor aangegaan van 260.000 gulden. Cordes schatte dat de rente, aflossing en onderhoud van het park betaald zouden kunnen worden uit de pachtopbrengsten. Met deze optimistische schatting zal Cordes de bedoeling hebben gehad de laatste twijfelende raadsleden te overtuigen. Hij slaagde in zijn streven en de gemeenteraad stemde unaniem in met het voorstel. Hiermee had het gemeentebestuur van Arnhem een eerste stap gezet bij het zeker stellen van haar mooie omgeving. 'Een daad van durf in een tijd van malaise '.

Sonsbeek

De tweede stap in de verwerving van de omliggende landgoederen volgende in 1899. In dat jaar kocht de gemeente het landgoed Sonsbeek van de N.V. tot Exploitatie van het Landgoed Sonsbeek. Deze naamloze vennootschap met als directeur H. Kooij Jr. was een jaar eerder bezitster geworden van het landgoed, omdat de toenmalige eigenaar, G.M.A. Baron van Heeckeren van Enghuizen wegens familieomstandigheden genoodzaakt was het landgoed van de hand te doen. Het landgoed dat sinds 1821 eigendom was van de familie van Heeckeren had, in tegenstelling tot Klarenbeek, in de loop der jaren vele verbeteringen en veranderingen ondergaan. Zo was zesenvijftig hectare van het achthonderdvijftien hectare metende landgoed onder auspiciŽn van de tuinarchitect J.D. Zocher herschapen in een park geheel aangelegd in de Engelse stijl, met vijvers, bossages en uitgestrekte gazons.

De verwerving van Sonsbeek door de gemeente had heel wat meer voeten in aarde dan de aankoop van Klarenbeek. Het initiatief om tot aankoop over te gaan lag bij de toenmalige directeur van gemeentewerken J.W.C. Tellegen. Reeds in augustus 1898 voerde hij hieromtrent een geheime briefwisseling met het College van B&W. Tellegen had een aantal motieven voor de aankoop. Op de eerste plaats vreesde hij dat wanneer de gemeente niet eigenaresse van de gronden zou worden, zij geen enkele invloed kon uitoefenen op de uiteindelijke aanleg en exploitatie van de terreinen. De gemeente stond namelijk slechts een gebrekkige bouwverordening ten dienste en deze was in het geval van Sonsbeek ook slechts ten dele van toepassing. Vervolgens zag Tellegen in de aankoop een mogelijkheid om de 'trek naar Arnhem' die op dat moment nagenoeg nihil was, weer aan te wakkeren. Hij was van mening dat zelfs het jaarlijks belasten van de gemeentebegroting met vijftienduizend gulden gerechtvaardigd was om de aankoop te kunnen realiseren. Tellegen kreeg toestemming van B&W om te gaan onderhandelen met de N.V. Uiteindelijk kon hij in een nota aan B&W en de gemeenteraad drie varianten voor aankoop presenteren. De nota verhulde zijn enthousiasme niet. Alle varianten waren tot in de finesses uitgewerkt, compleet met financiŽle berekening en suggesties voor exploitatie van het park en de bijbehorende bouwterreinen.

Belangrijk punt in de onderhandelingen was of de bij het landgoed behorende percelen bouwterrein in de aankoop betrokken zouden worden. Zo ja, dan moest de gemeente zorg dragen voor aanleg van straten op het terrein. Tellegen ging in eerste instantie met Kooij onderhandelen over aankoop zonder de bouwterreinen en bood daarvoor -namens B&W- 900.000 gulden. Kooij bood echter aan de gronden voor aanleg van wegen op het bouwterrein gratis aan de gemeente over te dragen. Daarbij mocht de gemeente de kosten voor aanleg van de straten in mindering brengen op de aankoopsom. Deze daalde daardoor tot 850.000 gulden. Er was ook reeds een plan van aanleg. Dit hield in, dat er brede straten met grote tuinen, waterpartijen, een waterval en eventueel fonteinen zouden worden aangelegd. De N.V. van Kooij zou daarna zelf trachten het terrein -de latere Transvaalbuurt- voor villabouw in exploitatie te brengen. Het geld voor de aankoop zou moeten worden opgebracht door het afsluiten van een lening. Rente en aflossing zouden onder andere betaald kunnen worden -zo dacht Tellegen- uit de verpachting van het voormalig woonhuis van de familie van Heeckeren als familie-hotel en de stichting van een krankzinnigengesticht op het terrein, waarvoor aanzienlijke rijkssubsidies beschikbaar werden gesteld. In een geheime vergadering van B&W op 8 maart 1899, sprak het college zich uit voor aankoop. Opmerkelijk was, dat het hier een meerderheidsbesluit betrof. De wethouder G.A. van Nispen en aanvankelijk ook burgemeester Jhr. D.J.A.A. van Lawick van Pabst waren erop tegen. Zij vonden de aankoop te duur in het licht van de stijgende uitgaven der gemeente. Andere zaken zoals de riolering van Klarendal en Plattenburg hadden in hun ogen prioriteit. Echter, de Commissies van Bijstand en FinanciŽn evenals de meerderheid van de Arnhemse gemeenteraad waren laaiend enthousiast over de plannen. Men was er stellig van overtuigd dat met de aankoop van Sonsbeek de toevloed van gefortuneerden die zich in Arnhem zouden willen vestigen weer op gang zou komen. Met Sonsbeek zou Arnhem zich weer kunnen meten met steden als Den Haag en Haarlem. De stad zou een park krijgen waarheen: '...heele scharen van rijk en arm kunnen opgaan even als de Hagenaar naar hun Bosch.' Het voorstel van B&W werd dan ook met een meerderheid van 21 tegen 6 stemmen in de raadsvergadering van 15 april 1899 aangenomen en daarmee kwam Arnhem in het bezit van zijn tweede grote landgoed.

In de periode die lag tussen aankoop van Klarenbeek en Sonsbeek deed de gemeente nog een poging in bezit te komen van een landgoed. Het betrof Warnsborn, dat sinds 1841 eigendom was van de gebroeders de Bruijn uit Amsterdam. In 1894 besloot de gemeenteraad, nagenoeg zonder beraadslaging, om drieŽnnegentig hectare van het goed te kopen voor 130.000 gulden. Motief voor dit daadkrachtig optreden was, dat Warnsborn openbaar geveild zou worden en men wilde voorkomen dat het terrein 'aan slopershanden ten prooi zou vallen'. Het was immers in het belang der gemeente dat het zijn mooie omgeving zou behouden: '...de omstreken zijn voor Arnhem hare levensaderen, waaraan uitgaven tot instandhouding en uitbreiding welbesteed zijn.' Gedeputeerde Staten van Gelderland onthielden echter hun goedkeuring aan het raadsbesluit. Zij waren bang dat de motieven van de Arnhemse gemeenteraad ertoe zouden leiden dat de andere buitenplaatsen die Arnhem omringden zoals MariŽndaal, Sterrenberg, Heijenoord en Zijpendaal te zijnertijd ook gekocht zouden moeten worden. Volgens G.S. stonden Arnhem andere grote uitgaven te wachten die een hogere prioriteit hadden. Dat Arnhem echter niet willekeurig ieder grondstuk dat werd aangeboden ter instandhouding van haar mooie omgeving aankocht was echter al eerder gebleken. In 1892 kreeg de gemeente van Jhr. J.H. LŁps uit Velp ter overname aangeboden dertien hectare grond aan de zuidgrens van het voormalig landgoed Klarenbeek. Tellegen had op eigen initiatief reeds een plan gemaakt, dat hij B&W en de raad voorlegde. Hij zag in de aankoop een logisch vervolg op de aankoop van Klarenbeek in 1886. Op deze wijze zou de ingang van Klarenbeek aan de Velperweg kunnen komen te liggen. Zijn plan bevatte naast de aanleg van straten ook plantsoenen, gazons, boomgroepen en waterpartijen.

Tellegens plan werd niet overgenomen door B&W. Naast de hoge kosten die de aanleg met zich meebracht was er nog een ander bezwaar. LŁps maakte bekend ten oosten van de aangeboden gronden een villapark te willen stichten. B&W wilden niet de indruk wekken grondspeculatie te steunen. Daarbij bestond destijds de opvatting dat er op dat moment geen behoefte was aan nog meer villawijken: 'En dan (...) verkeren wij in een tijd van groote malaise, de toevloed van gefortuneerden naar Arnhem vermindert, de armoede neemt toe, de bouwterreinen Hulkestein, Ettypark en Boulevard beantwoorden niet of slechts ten deele aan hunne bestemming...'

De verfraaiing van de stad

Zo was Arnhem bij het aanbreken van de twintigste eeuw in het bezit gekomen van ruim zeshonderd hectare park, bos en heide rond haar bebouwde kom. Wanneer men bedenkt, dat na de verkoop van de gemeentelijke heidegronden in het midden van de negentiende eeuw er niet meer dan 366 hectare gemeentelijk grondbezit ten noorden van de Rijn was overgebleven, betekenden deze aankopen een aanmerkelijke uitbreiding van het gemeentelijk grondbezit. De volgende vraag die zich voordeed was, hoe de gemeente zich dit bezit het beste tot nut kon maken. Er werd in de vorige eeuw veelvuldig gebruik gemaakt van de diensten van tuinarchitekten. Al eerder werd J.D. Zocher genoemd, die verantwoordelijk was voor de parkaanleg in Sonsbeek. Andere werken van zijn hand waren het park bij kasteel Soestdijk, de Haarlemmerhout in Haarlem en het Vondelpark in Amsterdam. Zo wilde ook de gemeente Arnhem te werk gaan. Zij liet zich bij de aanleg van haar singels, parken en plantsoenen leiden door de adviezen en plannen van deze tuinarchitekten.

De parken

Voor een plan ten behoeve van Klarenbeek werd aangezocht de architekt A.C. Poortman. Hij ging uit van handhaving van de bestaande situatie. Het landgoed was van zichzelf al mooi genoeg en behoefde geen kunstmatige verfraaiing. Het was ook de uitdrukkelijke wens van het gemeentebestuur dat Klarenbeek een bos bleef en geen park werd. Men volstond met het plaatsen van enkele rustbanken voor de wandelaar en er werden enkele trappen aangelegd in het sterk geaccidenteerde terrein. Voor vertier en vermaak was er geen plaats. De enige uitspanning was de theeschenkerij Monnikenhuizen. Het landgoed Sonsbeek, en dan met name het parkgedeelte, heeft men op geheel andere wijze trachten te exploiteren. Allereerst was daar natuurlijk het feit dat een deel van het landgoed reeds bij aankoop als park was aangelegd. Dat vereiste natuurlijk meer aandacht en onderhoud dan een bos. Daarbij kwam dat eventuele baten ingezet konden worden bij de aflossing van de lening die voor de aankoop was afgesloten. Direct in 1899 werd de in het park aanwezige theeschenkerij ondershands verpacht aan T. de Haan. Deze uitspanning zou in de loop der jaren een groot aantal verbouwingen en aanpassingen ondergaan, die door de gemeente werden betaald vanwege het grote belang voor de burgerij en het vreemdelingenverkeer.

Ook het voormalig woonhuis van de familie van Heeckeren werd terstond verbouwd tot familie-hotel en verpacht aan P.H. Minderman, de vroegere pachter van Cafť-Restaurant Musis Sacrum. De uitkijktoren BelvťdŤre werd zo snel mogelijk produktief gemaakt. Nog in 1899 wilde men de toren openstellen voor het publiek tegen een toegangsprijs van een dubbeltje per persoon. De opbrengst mocht in dit geval ten goede komen aan de armenzorg en de werkverschaffing. Omdat de toren echter niet veilig genoeg was, moest men van dit charitatieve plan afzien. In 1900 was het gebouw hersteld en kon het publiek alsnog van het uitzicht genieten. De belangstelling was groot. In de vierendertig dagen van openstelling werd de toren door ruim 3.700 personen bezocht. Of de baten inderdaad aan liefdadige doelen ten goede zijn gekomen is niet bekend. WŤl, dat de toren in de jaren die daarop volgden zo'n duizend gulden per jaar opbracht.

Ook op andere wijze poogde men het park zo aantrekkelijk mogelijk te maken voor de bezoeker. Zo werd de muur die aan de zijde van de Apeldoornseweg stond afgebroken, waardoor het park een meer open karakter kreeg. Er kwamen naambordjes bij exotische bomen en er werden 'lawn-tennisbanen' aangelegd bij het hotel. Een belangstellend ingezetene van de stad schonk een complete hertenkamp. Later bleek deze weldoener wethouder J.A. Jolles te zijn. Hij had zich ook al zeer ingespannen om de aankoop van Sonsbeek mogelijk te maken. Een aantal raadsleden gingen al deze verbeteringen en verfraaiingen niet ver genoeg. Zij wilden van Sonsbeek een toeristische trekpleister maken, een centrum van ontspanning en vermaak. Zo kwamen er na 1900 oriŽntatietableau's en verrekijkers, een roeibotenverhuur op de grote vijver en startte de VVV in 1906 met avondconcerten op het eiland in de vijver. Door het grote succes van deze concerten besloot men in 1908 een muziektent op het eiland te plaatsen.

De meest verregaande plannen kwamen van Mr. C.J. Baron van Tuijll van Serooskerken. Hem stond een Sonsbeek voor ogen naar het voorbeeld van de Duitse kuuroorden. Hij liet zijn 'Kurhausplan' beoordelen door de Nederlandse Maatschappij ter Bevordering van de Geneeskunde. Haar advies was zeer positief: Het landgoed zou bij uitstek geschikt zijn voor terreinkuren van lijders aan hart- en vaatziekten. De kwaliteit van het medicinale bronwater was ook goed. Het kuurhotel zelf zou op de hoger gelegen gronden van het park moeten worden aangelegd. Een deel van het park zou openbaar moeten blijven zodat de Arnhemse bevolking er gebruik van kon maken als 'Luftkurort'. Van Tuijlls plannen werden echter niet gedeeld door de gemeenteraad. Zij was niet gesteld op de 'mondainiteit' die het plan met zich meebracht. Wat dat betreft huldigden Arnhemse bestuurders nog puriteinse opvattingen. Al eerder hadden enkele raadsleden zich gestoord aan de wijnverkoop in de theeschenkerij. Men was bang dat men 'van Wijntje tot Trijntje' zou komen en de gemeente verantwoordelijk zou worden gesteld. Bij de verpachting van de theeschenkerij waren er dan ook strenge voorwaarden gesteld: gťťn muziek, gťťn vrouwelijke bediening, gťťn gedistilleerd en sluiting een uur na zonsondergang. Men kan zich voorstellen dat in het licht van deze opvattingen een kuurhotel met dameskapel uit den boze was.

De bebouwde kom

Ook binnen de bebouwde kom getroostte men zich veel moeite om van Arnhem een bekoorlijke stad te maken. De aandacht concentreerde zich daar voornamelijk op de voltooiing en de verfraaiing van de singels. Tussen 1885 en 1890 werden er enkele kleinere werken uitgevoerd, zoals de aanleg van de fonteinen met ornamenten en bassins in het plantsoen tussen de Janssingels. Ook werden er rustbanken en grote gaslantaarns geplaatst op het Willemsplein en gazons aangelegd. De Eusebiussingels werden opnieuw beplant en de aanleg van het Velperplein rond Musis Sacrum nam een aanvang. Telkens nam de gemeente een tuinarchitekt in de arm om verzekerd te zijn van een kwalitatief goed ontwerp. Om deze kennis ook zelf in huis te krijgen stuurde men in 1889 een opzichter van gemeentewerken naar Parijs alwaar een grote tentoonstelling werd gehouden over de Parijse stadsparken. De opzichter zou zich op de hoogte moeten stellen van de laatste snufjes op het gebied van de plantsoenaanleg. De gemeente heeft de opgedane kennis echter niet intensief gebruikt. In de jaren daarna schakelde men telkens weer tuinarchitekten in bij grotere werken. Voor de eeuwwisseling werden er daarvan nog drie uitgevoerd. Allereerst werd in 1891 de nieuwe parkaanleg rond Musis Sacrum voltooid. Nadat in de jaren tachtig Musis verbouwd was, presenteerden B&W hun plannen voor het park. Zij doorbraken met vierkante bloemperken in de 'le Notre' of Franse stijl de tot dan gehanteerde Engelse stijl. Niet iedereen in de gemeenteraad was daarvan gecharmeerd en het resultaat was een compromis waarbij beide stijlen werden uitgevoerd.

Direkt daarop volgde de verbinding van de Eusebiusbinnen en - buitensingel in 1892. Tellegen presenteerde een plan van de architekt A.C. Poortman, die ook verantwoordelijk was voor het ontwerp rond Musis. Er ontstond commotie in de gemeenteraad omdat men het niet eens kon worden over de plaats en de aard van de verbinding die er moest komen. Sommigen hadden voorkeur voor een brug over de Lauwersgracht, anderen zagen meer in een dam. De emoties liepen zo hoog op dat B&W zich genoodzaakt zagen een alternatief plan door de architekt A. Springer te laten maken. Toen dit een jaar later voor behandeling in de raad kwam, bleken de raadsleden P. Noppen en A. Nicola op eigen initiatief ook plannen te hebben ingediend zodat er vier ter tafel lagen. Tellegen wist hieruit een compromis te destilleren waar de raad na ampel beraad mee accoord ging.

Als laatste grote projekt werd de verandering van het Nieuwe Plein ter hand genomen. Ook nu hadden B&W Poortman weer uitgenodigd voor het maken van een ontwerp. Wederom rees er verzet, omdat Poortman in de Franse stijl ontwierp en velen liever de Engelse stijl gehandhaafd zagen. Door deze meningsverschillen werd de uitvoering natuurlijk ernstig vertraagd. Toen het hele plan zelfs niet door dreigde te gaan, ging de gemeenteraad uiteindelijk overstag. Zo kwam nog voor de eeuwwisseling de singelaanleg rond het centrum van Arnhem gereed. Dat was voorlopig ook het laatste wat men aan grote stadsverfraaiingsprojecten binnen de bebouwde kom ondernam. Na 1899 richtte de aandacht zich op Sonsbeek.

Het vele groen in Arnhem vergde natuurlijk de nodige aandacht en veel onderhoud. Men legde complete besproeiingsleidingen aan langs de singels en pleinen. 's Zomers werden de gazons dagelijks besproeid, wekelijks geschoren en het onkruid in de bloemperken wekelijks verwijderd. Met name de bomen genoten de aandacht en bescherming van de Arnhemse burgerij. Talloze keren waren zij onderwerp van uitgebreide discussie en beraadslaging in de vergaderingen van het gemeentebestuur. Telkens wanneer er gerooid of gekapt moest worden wierp de gemeenteraad zich in vaak lyrische bewoordingen op als de beschermheer van de bedreigde exemplaren. Zelfs wanneer bomen rot of dood waren en gevaar opleverden voor de verkeersveiligheid weigerde de raad toestemming voor rooiing. Zo zijn twee Canadese populieren aan het Velperplein tot drie maal toe onderwerp geweest van uitgebreide beraadslaging in de raad. Het duurde veertien jaar voordat ze uiteindelijk gekapt werden. Het feit dat Arnhemmers namen in bomen sneden, was voldoende aanleiding voor behandeling in de gemeenteraad. Gelukkig wist de burgemeester dit verschijnsel te relativeren. Het deed zich naar zijn mening voor door het naderen van de maand mei, ' ...wanneer velen daartoe een sterken aandrang gevoelen.' De singels, pleinen en plantsoenen kostten de Arnhemse gemeenschap jaarlijks een flinke som geld. In eerste instantie was men nog graag bereid die gelden beschikbaar te stellen. Men wilde er immers de welgestelde vreemdeling mee naar de stad lokken. Echter allengs werd duidelijk dat Arnhem wel erg veel geld aan haar groen uitgaf. In de financieel slechte tijden waarin Arnhem verkeerde kwamen dergelijke 'weeldeuitgaven' onder steeds meer druk te staan. De angst bestond dat deze uitgaven de plaatselijke belasting omhoog zouden drijven. Hierdoor zou de welgestelde juist wegblijven: 'Nu weet spreker wel, dat men tegen hem het oude argument zal aanvoeren, dat schoone plantsoenen een gunstigen indruk maken op vreemdelingen, die daardoor allicht geneigd zouden zijn zich hier te vestigen. Het is mogelijk dat dit argument waarheid bevat, maar evengoed kan spreker zich voorstellen dat bij den vreemdeling, die onze plantsoenen en bloemen met opmerkzaamheid ziet en bewondert, de gedachte opkomt: wat ben ik blij daaraan niet mee te moeten betalen!' Op deze wijze zouden alle inspanningen van het gemeentebestuur om door middel van het behoud van de mooie omgeving en stadsverfraaiing welgestelden naar Arnhem te lokken averechts kunnen werken. Er bestond namelijk verschil van mening over de vraag, welke factor het zwaarst woog bij de keuze van woonplaats. Dat kon zijn een fraaie omgeving of het lage belastingniveau. Het Arnhemse gemeentebestuur zou zich daarom op beide terreinen moeite getroosten.

De Arnhemse belastingen

Voor een goed begrip van de gemeentelijke belastingen in de negentiende eeuw is het goed terug te gaan naar het jaar 1865. In dat jaar werden de gemeentelijke accijnzen door de regering opgeheven. Deze verbruikersbelastingen, die onevenredig op het minder gefortuneerde deel van de bevolking drukten, maakten tot dan toe het grootste deel van de gemeentelijke inkomsten uit. De verhouding direkte belasting: accijns bedroeg in Arnhem in 1857 nog 1:12. In 1865 na de stelselherziening was deze verhouding 1:3. Als compensatie voor het verlies aan inkomsten kregen de gemeenten het recht om opcenten te heffen op de rijksgrondbelasting en de personele belasting. Daarnaast kregen ze de mogelijkheid om een directe inkomstenbelasting, ook wel hoofdelijke omslag genoemd, in te stellen. Het verlies aan accijnzen stelde vooral de grotere gemeenten voor problemen. Zij hadden vaak een groot aantal bedeelden en minder draagkrachtigen binnen hun grenzen die een beroep deden op de plaatselijke armenzorg of het kosteloos openbaar onderwijs. Daarom werd de gemeenten ook nog tachtig procent van de opbrengst van de rijks personele belasting gegund. Echter veelal was dit nog te weinig om de stijgende uitgaven het hoofd te bieden. Deze situatie leidde in veel plaatsen tot de instelling van een plaatselijke inkomstenbelasting. Arnhem voerde deze in 1866 in en was daarmee de eerste gemeente in Nederland.

In de verordening van de Plaatselijke Directe Belasting naar het Inkomen (PDB) was bepaald, dat eigen aangifte verplicht was. Deze bepaling stelde het gemeentebestuur voor grote problemen, daar men geen inzicht had in de inkomenspositie van de Arnhemse burgerij. Gevolg hiervan was dat deze belasting op grote schaal ontdoken werd. De inner stond machteloos, omdat bij conflicten Gedeputeerde Staten van Gelderland de bewijslast bij B&W legden. Het was dus voor gemeentebesturen moeilijk om een maatstaf voor de heffing te vinden. In Arnhem was er de bepaling van de 'uiterlijke staat'. Dit betekende dat men bij de vaststelling van de aanslag keek naar uiterlijke kenmerken van welvaart. Die konden bijvoorbeeld zijn het aantal dienstboden dat men in dienst had en het feit of zij al dan niet een livrei droegen. Door meer openbaarheid aan de belastingregisters te geven trachtte men in Arnhem sociale controle als middel tot juiste aangifte te laten werken.

FinanciŽle politiek

Het is niet goed mogelijk een beeld te krijgen van de gemeentelijke belastingen zonder deze te zien in het geheel van de gemeentelijke financiŽn. In het laatste kwart van de negentiende eeuw, werden veel gemeenten geconfronteerd met snel stijgende uitgaven. Op de eerste plaats waren deze het gevolg van de uitvoering van rijkswetten. Met name die ten aanzien van armenzorg en onderwijs vergden steeds meer van de gemeenten. Daarentegen daalden de rijksbijdragen voor de uitvoering van deze wetten voortdurend. In 1870 bijvoorbeeld maakten deze rijksuitkeringen nog veertig procent uit van de reguliere inkomsten van de Gemeente Arnhem. In 1904 was dit percentage tot vijftien gedaald. De gemeente moest door middel van eigen inkomsten maar zien rond te komen. Die eigen inkomsten bestonden voor het grootste gedeelte uit de PDB. Zij maakte zo'n dertig procent uit van de gewone inkomsten van de gemeente. Ruim de helft van de opbrengst van de PDB werd opgebracht door de Arnhemse welgestelden, zij die jaarlijks een inkomen boven de achtduizend gulden hadden. Het lag voor de hand dat het Arnhemse gemeentebestuur voorzichtig omsprong met de groep die verantwoordelijk was voor zo'n groot deel van de inkomsten. Het dingen naar de gunst van de welgestelden zou lange tijd de belastingpolitiek en daarmee het financiŽle beleid van de gemeente Arnhem beheersen. Arnhem was immers een plaats van vertier, een woonstad en geen handels- of industriecentrum, of zoals wethouder van financiŽn H.J. Cordes het uitdrukte: 'En dan vergete men niet, dat Arnhem niet is eene gemeente van productie, maar van consumtie, waar de rente van elders verdiende kapitalen wordt verteeerd en de meer gefortuneerde volkomen vrij zijn in de keuze hunner woonplaats. Dit stemme tot omzichtigheid...'

De welgestelden zouden bij de keuze van woonplaats -naast een fraaie omgeving- als belangrijke overweging laten meetellen waar het leven het goedkoopst was. Vandaar dat de belastingen niet te hoog mochten worden opgedreven. Dat betekende dat er beperkingen werden opgelegd aan de gemeentelijke uitgaven. Bij grote financiŽle operaties, zoals de conversie van de oude gemeenteschuld in 1885 en 1889, de aankoop van Klarenbeek in 1886 en de verbouwing van Musis Sacrum tussen 1886 en 1889 bleek telkens de aarzeling van het gemeentebestuur om grote uitgaven te doen. Men wilde niet het risico lopen de belasting te moeten verhogen. Ook op langere termijn wilde men het belastingniveau niet in gevaar brengen. Dat betekende dat het gemeentebestuur erg voorzichtig was met het afsluiten van leningen voor niet-renderende uitgaven. Gevolg was wel dat er steeds meer posten 'pro memorie' op de begroting verschenen. De grote kritiek op het gemeentebestuur was dan ook dat zij Arnhem niet vooruit bracht maar de zaken slechts lopende hield.

H.J. Cordes

Architekt van deze behoudende financiŽle politiek was de wethouder Cordes. Hij was geboren Amsterdammer, maar kwam in 1867 op vierentwintig jarige leeftijd naar Arnhem. Hij was als administrateur in dienst bij de levensverzekeringmaatschappij Prudentia aan de Weerdjesstraat. Samen met directeur J. Barends bewoonde hij een pand aan de Steenstraat. In politiek opzicht was hij overtuigd liberaal. Later was hij voorzitter van de Vrijzinnige Kiesvereniging Arnhem. In 1880 werd hij voor 't eerst beŽdigd als gemeenteraadslid. In 1882 gaf hij zijn betrekking op om vervolgens als 'particulier' te boek te staan. Bij aanvang van zijn tweede raadsperiode in 1884, werd hij benoemd als wethouder van financiŽn. Na eenendertig jaar het mandaat te hebben gekregen van de Arnhemse kiezers en de raad, legde hij zijn funktie neer in 1911. In dat jaar verdween hij uit de Arnhemse politiek. Zeven jaar later, op elf november 1918 stierf hij op vijfenzeventigjarige leeftijd. Het beleid van Cordes was voorzichtig, maar meesterlijk. Vanuit de gemeenteraad en de bevolking was er vaak de drang om meer te willen doen voor de bloei van Arnhem dan financieel haalbaar was. Cordes fungeerde echter als: 'de trouwe wachter van de gemeentelijke schatkist.' Naast de politiek had Cordes -en zijn vrouw- vele maatschappelijke nevenfuncties. Hij was gedurende zijn leven bestuurslid van zo'n twintig kerkelijke, liefdadige en culturele organisaties.

Geldnood

In het laatste decennium van de vorige eeuw kwam de noodzaak om de inkomsten van de gemeente te vergroten steeds sterker naar voren. Het toenemend aantal memorieposten op de begroting en de grote aarzeling van B&W om te lenen belemmerden de groei en bloei van Arnhem. Tussen 1885 en 1910 verdriedubbelden de uitgaven voor armenzorg en openbare werken. Die van onderwijs verdubbelden. In dezelfde periode nam de bevolking echter met nog geen veertig procent toe.

De meest voor de hand liggende oplossing om de financiŽle armslag van de gemeente te verruimen, namelijk verhoging van de PDB, werd als voorlopig ongewenst terzijde geschoven. In plaats daarvan besloot men een personele belasting in te voeren. B&W motiveerden hun keuze met het argument dat zij de PDB niet verder wilden opvoeren omdat daarmee de vestiging van welgestelden zou kunnen stagneren. Hoewel ook zij beseften dat de personele belasting -zijnde een belasting op de eerste levensbehoefte- vanuit sociaal oogpunt niet de meest rechtvaardige was, voelde men zich 'gedwongen door noodzakelijkheid'. In 1901 was er een tweede moment waarop men de welgestelden wilde ontzien. In dat jaar was de verordening van de PDB toe aan een herziening. In de gemeenteraad en daarbuiten gingen stemmen op om in Arnhem een progressieve inkomstenbelasting te gaan heffen. B&W wonden er echter geen doekjes om bij hun pleidooi om vooral gťťn progressie in te voeren: 'Onder haar ingezetenen zijn er zeer velen, die noch door betrekking, noch door beroep of bedrijf gedwongen worden haar als plaats van inwoning te behouden. De laatste jaren hebben helaas duidelijk bewezen, dat de banden waarmede deze personen aan de gemeente verbonden zijn, maar al te gemakkelijk verbroken worden, en niemand zal beweren dat het vertrek van zeer welgestelde ingezetenen zonder nadeeligen invloed op de gemeentekas, op den stand van neringdoenden, op de werkverschaffing blijft, of dat het welvaren der gemeente daarvan niet den terugslag ondervindt. Evenmin is voor tegenspraak vatbaar, dat ieder vertrekkend ingezetene om zoo te zeggen zijn belastingbedrag medeneemt en daardoor aanleiding geeft den blijvenden ingezetenen pro rata parte dat bedrag aan belasting op te leggen. Ziet men om zich heen, dan zal men bemerken, dat bij zeer vele gemeentebesturen de prijzenswaardige zucht bestaat ingezetenen te trekken, liefst natuurlijk zeer gefortuneerde ingezetenen, en nu zij men er in deze gemeente toch vooral op bedacht geen maatregelen te nemen, waardoor Arnhem's gefortuneerde burgers aan die roepstem geen weerstand meer zullen bieden.' En zo geschiedde...

Alternatieven

Tussen 1900 en 1910 werden er, onder andere van sociaal-democratische zijde, pogingen gedaan om alternatieve belastingen in te voeren. Soms was sociale rechtvaardigheid daarbij het motief, soms gewoon verruiming van de gemeentelijke inkomsten. Echter of het nu een straat-, riool-, grond-, onroerend goedbelasting of opcenten op de successierechten betrof, allen strandden uiteindelijk op de onwil van het gemeentebestuur. Men was wars van elke nieuwe belasting en greep ieder argument aan om deze te weren. In 1907 werd er een poging ondernomen om een belasting op openbare vermakelijkheden in te voeren. Als voorbeeld had men Nijmegen in gedachten, alwaar aanzienlijke opbrengsten werden gerealiseerd. Hoewel deze belasting de sympathie had van een groot deel van de gemeenteraad werd ze ook niet aangenomen. Men achtte haar niet in het belang van de gemeente. Argument daarbij was dat men met deze belasting 's-zomers de toeristen trof en 's-winters de forensen, die vanuit de buitengemeenten de culturele evenementen in de stad bezochten. Beide groepen mocht men niet afschrikken, omdat Arnhems welvaren voor een groot deel van hen zou afhangen.

Ten aanzien van het toerisme zou deze angst rond 1910 nog wel te rechtvaardigen zijn. In dat jaar meldden Arnhemse hoteliÍrs 57.000 overnachtingen. Wanneer deze 'vreemdelingen' zouden zijn weggebleven zou dat inderdaad een aanzienlijke inkomstenderving voor de Arnhemse middenstand hebben betekend. Of ze inderdaad zouden zijn weggebleven bij de invoering van een vermakelijkheidsbelasting blijft de vraag. Dat gold ook voor de forensen. In aantal waren zij klein: honderdnegentig in 1910. Het is niet waarschijnlijk dat zij weggebleven zouden zijn bij Arnhems culturele aktiviteiten, alleen al omdat er in de wijde omtrek geen alternatieven voor waren. Gevolg van de houding van Arnhems gemeentebestuur was wel, dat men telkens gedwongen was om op andere wijze in de financiŽle noden van de gemeente te voorzien.

Propaganda

Ook buiten de gemeenteraad bestond er een levendige belangstelling voor de belastingzaken. Dit bleek alleen al uit de honderden reacties die er binnenkwamen wanneer er verordeningen gewijzigd moesten worden of nieuwe belastingen voorgesteld werden. Ook de dagbladen in Arnhem mengden zich in de discussie over de 'duurte' in Arnhem. De Arnhemsche Courant publiceerde al in 1894 een vergelijkend overzicht van de diverse heffingen in de negen grootste steden van Nederland. Hieruit moest blijken dat Arnhem beslist geen dure stad was, in tegenstelling tot de vele geruchten die de ronde deden. Wilde men de vestiging van welgestelden bevorderen door lage belastingen, dan moest het ook buiten de stad bekend worden dat deze in Arnhem zo laag waren. De belangrijkste pleitbezorgster voor het beleid van het gemeentebestuur op dit gebied was de plaatselijke VVV. Deze had naast de bevordering van het toerisme als tweede doelstelling de bevordering van de vestiging van welgestelden. In haar vele publicaties, advertenties, brochures en vreemdelingengidsen werd aanhoudend gewezen op de lage heffingen te Arnhem, die naast de vele andere voordelen die Arnhem te bieden had, ťťn van de belangrijkste overwegingen scheen te zijn bij de keuze van woonplaats. Middels nationale en internationale propaganda en later ook intensieve werving in Nederlands-IndiŽ maakte men reclame voor: 'Arnhem als woonplaats, voornamelijk in de kringen van kapitaalkrachtige personen.'

In de gidsen van de VVV stonden dan ook -in navolging van de Arnhemsche Courant- vergelijkingen over de belastingdruk in de grote Nederlandse steden. Hierin waren naast de PDB veelal ook de personele- en grondbelasting en de gasprijs opgenomen. De bewering dat Arnhem niet duur was en dat de belastingen er laag waren, valt moeilijk te controleren. Als gevolg van de vele verschillende gemeentelijke heffingen in die tijd is het heel lastig om vergelijkingen te maken. Wanneer echter de PDB als uitgangspunt wordt genomen en blijkbaar gebeurde dat in die tijd, dan blijkt dat Arnhem een middenpositie innam. Arnhem had een lagere heffing dan Amsterdam, Rotterdam en Haarlem. De belasting was echter hoger dan in andere populaire plaatsen van vestiging zoals Den Haag, Nijmegen en Breda. Hierdoor hadden zowel zij die meenden dat de belasting in Arnhem te hoog was, als zij die vonden dat ze aanvaardbaar laag was goede gronden voor hun opvatting.

Het culturele leven.

Naast het zorgen voor een fraaie woonommgeving en een gunstig belastingklimaat was er een derde terrein waarop men in Arnhem ijverde van de stad een gezochte woonplaats voor welgestelden te maken. Door te zorgen voor voldoende aanbod van culturele instellingen en evenementen, wilde men de 'vreemdelingen' een aangenaam verblijf bieden: 'Arnhem is, men vergete het niet, de stad, waar de vreemdelingen, die zich hier komen vestigen en die voor het meerendeel niets te doen hebben, gelijk de ouden zeiden, panem et circenses: brood, maar vooral ook vermakelijkheden, afleiding, zoeken. Als de vreemdeling hier geen amusementen vindt, dan zal hij weder verhuizen.' Er stonden de gemeente diverse middelen ter beschikking om het culturele leven te stimuleren. Allereerst kon men het particuliere initiatief ondersteunen door bijvoorbeeld het verlenen van subsidies. Op de tweede plaats kon de gemeente zelf overgaan tot deelname aan de organisatie van het culturele aanbod. De eerste vorm van cultuurbeleid was niet ongebruikelijk. De tweede echter was in de vorige eeuw niet algemeen geaccepteerd. Toch nam de Gemeente Arnhem rond het midden van de negentiende eeuw al initiatieven op dit terrein.

Musis Sacrum

In 1852 reeds was de gemeente in het bezit gekomen van het gebouw Musis Sacrum aan het Velperplein. Het gebouw was door een exploitatiemaatschappij gesticht als concertzaal voor het derde Nederrijnsch-Nederlandsche Zangersfeest in 1847. In 1852 besloot de gemeenteraad het gebouw over te nemen, ondanks de niet winstgevende exploitatie. Het gebouw werd aanzienlijk vergroot om de Nationale Tentoonstelling van Nijverheid te kunnen herbergen än om een komediegebouw te stichten dat in afmeting kon concurreren met dat van Den Haag. Met deze verbouwing werd Musis het grootste evenementengebouw van Nederland, tot 1864 toen het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt werd gebouwd. In 1866 werd het gebouw opnieuw ingrijpend verbouwd. Nu om het geschikt te maken als concertzaal. Een groep Arnhemse burgers had de gemeenteraad overtuigd van het belang van een dergelijke voorziening. De belangstelling voor de aktiviteiten was in die jaren groot. De gemeente had dan ook geen moeite om Musis op voordelige wijze te verpachten. In 1886 was Musis opnieuw toe aan een grondige opknapbeurt. Het gebouw verkeerde in bijzonder slechte staat van onderhoud. Gezien de hoge kosten die dit met zich mee zou brengen en de 'tijden van malaise' waarin Arnhem verkeerde, stelde B&W voor het gebouw maar te slopen en de gronden in erfpacht uit te geven, zodat het particuliere initiatief er een soortgelijk gebouw op kon stichten. Voordat de raad accoord ging nam men het zekere voor het onzekere en zocht naar gegadigden voor de erfpacht. Daarvoor meldden zich de architekten G.J. van Gendt en C.M.G. Nieraad. Zij stelden samen met B&W een plan op voor sloop, nieuwbouw en exploitatie.

Echter, de kwestie Musis was ook buiten het gemeentehuis uitgebreid aan de orde geweest. Resultaat daarvan was een lobby van een aantal vooraanstaande burgers onder leiding van Mr. J.W. Staats-Evers. Zij wilden Musis behouden. Juist omdat Arnhem een vestigingsplaats voor welgestelden wilde zijn, moest het gemeentebestuur zorgen voor voldoende amusement. Een investering in Musis Sacrum zag men in het verlengde van bijvoorbeeld de aankoop van het landgoed Klarenbeek. B&W en de raad waren verdeeld. Het voorstel voor sloop werd verworpen. Een jaar later besloot men tot gedeeltelijke restauratie en nieuwbouw. In 1890 kwam het gebouw gereed. De pacht werd gegund aan E.G. Traanboer c.s., die zich verplichtten het gebouw te exploiteren voor openbare vermakelijkheden, met uitzondering van kermissen. De gemeente ontving jaarlijks een pachtsom van zestienduizend gulden. Nog datzelfde jaar ging de pacht over op de Maatschappij tot Exploitatie van Musis Sacrum, een N.V. die aandelen uitgaf. Als pachter namens de maatschappij trad P.H. Minderman op. Hij exploiteerde ook het cafā- restaurant. Later pachters waren nog de maatschappij de l'Union en de hoofdgerant van het cafť-restaurant F. Simon. Uit aantekeningen van de laatste blijkt dat Musis onder zijn beheer intensief als multifunctioneel centrum gebruikt werd. Er moet in die jaren een grote variŽteit aan aktiviteiten hebben plaatsgevonden. Het betrof plaatselijke en nationale tentoonstellingen, concerten, toneelvoorstellingen, congressen, examens, soirťes dansantes, bals masquťs en natuurlijk maakte het plaatselijke verenigingsleven druk gebruik van de faciliteit. In 1896 werd Musis uitgebreid met een houten kegelbaan. Dat werd niet door iedereen gewaardeerd. Regelmatig kwamen er klachten binnen over de geluidshinder die de baan opleverde: '...wat ben ik blij dat ik hier niet woon. Dat eeuwige gerol met de ballen moet al heel onaangenaam zijn', aldus Mr. B.P. Baron van Verschuer. De exploitatie van Musis wekte vaker de ergernis van de Arnhemse bestuurders. Raadslid F. Ozinga deed z'n beklag bij B&W, omdat er bij een vreemdevolkententoonstelling een groep van vijfenzestig AbessiniŽrs in Musis had overnacht. Hij vreesde herhaling wanneer de Roodhuiden naar de stad kwamen. Echter van daadwerkelijke bemoeienis van het gemeentebestuur bij de exploitatie van Musis was geen sprake.

Zoals hierboven al bleek bestond bij een deel van de gemeenteraad een afkeer van vormen van vermaak die niet 'deftig' waren, of gericht op het meer gegoede deel van de Arnhemse samenleving. Dat kon het imago van Arnhem immers schaden. Regelmatig kwamen er verzoeken om een einde te maken aan vermakelijkheden voor het volk. Deze vonden meestal plaats in tenten op het Roermondsplein. Het verstrekken van vergunningen aan orgeldraaiers, zigeuners en 'germaansche broeders' gaf teveel herrie op zaterdag en zondag. Ook stoomorgels met lachgeluiden en wildebeestenshows werden niet op prijs gesteld.

De schouwburg

Een culturele instelling waarbij de invloed van het gemeentebestuur erg groot was, ook op inhoudelijk gebied, was de Arnhemse gemeentelijke schouwburg. Deze was sinds 1865 gehuisvest in een nieuw gebouw aan het Koningsplein. Er werd dezelfde financieringsmethode gebruikt als bij de stichting van Musis Sacrum. Er werden aandelen uitgegeven en de gemeente garandeerde de aflossing daarvan. Overigens blijkt hieruit wel dat men destijds iets over had voor culturele accomodaties in de stad. Binnen twee jaar verrezen achtereenvolgens de schouwburg en Musis. Twee gebouwen voor nagenoeg dezelfde aktiviteiten op nog geen steenworp afstand van elkaar. In 1884 had de gemeente alle aandelen afgelost en rees de vraag of de schouwburg verpacht moest worden -zoals Musis- of dat de gemeente de schouwburg voor eigen rekening zou gaan exploiteren. Met als argument dat men alleen bij gemeentelijke exploitatie waarborgen had voor de kwaliteit en het niveau van het programma besloot men de schouwburg voor eigen rekening uit te baten. De toenmalige Raad van Beheer werd omgedoopt tot Schouwburgcommissie. Deze was financieel en inhoudelijk verantwoording schuldig aan de gemeenteraad. Gemaakte winsten en verliezen waren voor rekening van de gemeente.

Het is opmerkelijk dat, terwijl men in 1884 uit kwaliteitsoverwegingen besloot over te gaan tot eigen exploitatie van de schouwburg, men twee jaar later ten aanzien van Musis een andere koers ging varen. Waarschijnlijk hebben daarbij dan toch financiŽle motieven een rol gespeeld. In 1884 was de schouwburg vrij van rente en aflossing. Een exploitatieverlies was wel te dragen. Voor Musis moesten aanzienlijke sommen betaald worden aan rente en aflossing voor de lening die men had afgesloten ten behoeve van de verbouwing. Dat wilde men terugverdienen uit de pacht. Tot 1895 waren de financiŽle resultaten van de schouwburg slecht. Vandaar dat men besloot 144 eersterangsplaatsen te verpachten. De proef was een succes. Er was veel belangstelling voor de plaatsen en de winsten liepen soms op tot wel drieduizend gulden. Deze nieuwe vorm van plaatsbespreken had echter ook nadelen. Ze creŽerde een beperkte publieksgroep en er traden opkopers op, die de plaatsen met grote winsten doorverkochten. Door hun optreden moesten de bezoekers van de 'populaire' voorstellingen, die normaal de halve prijs kostten, soms toch nog de hele prijs betalen. Door het groot aantal plaatsen dat bij voorbaat verpacht was, moest men bij gewilde voorstellingen uren in de rij staan om toch nog een plaatsje te bemachtigen. Zo ook bij de opvoering van Wagners Tannhšuser in 1896. Men stond 's-nachts om twee uur al in de rij. Personen die 's-ochtends om vijf uur kwamen kregen na zeven uur wachten te horen dat de voorstelling uitverkocht was en konden onverrichter zake huiswaarts keren. Nu was het niet zo dat de welgestelde Arnhemmers zelf in de rij gingen staan. Zij huurden vaak voor een luttel bedrag vrouwen en kinderen uit de volksklasse die de kaarten voor hen moesten bemachtigen.

Hoewel de exploitatieresultaten dus na 1895 verbeterden werden er jaar op jaar wel grote verliezen geleden op de voorstellingen van 'hoog gehalte'. Met name de uitvoeringen van de Franse en Nederlandse Opera leverden verliezen op. Deze werden voornamelijk veroorzaakt door de geringe bezoekersaantallen. Om het bezoek aan de schouwburg te stimuleren, liet men zelfs een extra late tram rijden tussen Arnhem en Velp, zodat de schouwburgbezoeker toch nog thuis kon komen. Omdat ook de schouwburgcommissie moest erkennen dat de zogenaamde lichtvoetige voorstellingen het meeste publiek trokken en dus de grootste recette hadden, besloot men in 1904 deze voorstellingen veelvuldig te gaan boeken. Dat zou, hoopte men, velen naar de stad lokken voor vermaak en vestiging en was dus in het belang der gemeente. Aangezien deze stukken ook pastten binnen de hoofddoelstelling van de schouwburg, namelijk veraangenaming van het verblijf te Arnhem, was men van mening dat het ook inhoudelijk een juiste beslissing was.

Deze populaire voorstellingen hadden in de ogen van de comissie wel het nadeel, dat het niveau van het gebodene in Arnhem daalde. Zij probeerde dat verval tegen te gaan door vooraf zoveel mogelijk manuscripten, recensies en literatuur te lezen. Dat zij er desondanks niet altijd in slaagde het gehalte van de voorstellingen op peil te houden bleek uit de vragen in de gemeenteraad die de repertoirekeuze van de commissie opriep. Een enkele keer was er zelfs de roep om censuur, zoals bij het stuk 'FrŁhlingserwachen' van Frank Wedekind door de Berliner BŁhnenkŁnstler. Hierbij werd de uiterste grens van wat een openbare vertoning kon verdragen bereikt, aldus het raadslid Dr. H.F. Thijssen. Men behoorde met zijn dochters naar de schouwburg te kunnen gaan zonder dat deze hoefden te blozen! De reden dat men zo ijverde voor een goede schouwburgexploitatie was dat men -naast het financiŽle aspect- oog had voor de indirekte gevolgen: het vreemdelingenbezoek zou erdoor bevorderd worden en zij zouden door het aangenaam verblijf te Arnhem aangespoord worden zich hier te vestigen. In dit licht moet men ook de grote uitgaven zien die de gemeente zich voor de schouwburg getroostte. Na Musis was de schouwburg het tweede grote openbare gebouw dat voorzien werd van elektrische verlichting. In 1908 trok men vijfentwintig duizend gulden uit voor dit doel. Een schouwburg in een stad als Arnhem behoorde nu eenmaal elektrisch verlicht te zijn. Arnhem was immers een cultuurstad: 'Komt Isalberti hier niet zingen, komt Isadora Duncan soms niet dansen, en houdt Roijaards hier geen voordrachten, even goed als in Amsterdam en Den Haag? Alle sterren aan den kunsthemel komen ook hier schitteren.'

De tweede garnituur

Aanzienlijk minder aandacht ging er uit naar twee andere gemeentelijke instellingen op het gebied van kunst en wetenschap. Het betrof hier de Openbare Bibliotheek en het Museum van Oudheden. De Openbare Bibliotheek was sedert 1852 gehuisvest in het gemeentehuis. De collectie was ontstaan door samenvoeging van een aantal particuliere collecties en die van het Hof van Gelderland, het Provinciaal Gouvernement, de Stadsbibliotheek en het Genootschap Prodesse Conamur. De bibliotheek had een wetenschappelijk en elitair karakter. Dat werd enerzijds veroorzaakt door de collectie, die voornamelijk bestond uit boeken en tijdschriften op het gebied van geschiedenis, staatskunde, rechtspraak, filosofie en polytechniek. Anderzijds waren de openingstijden zeer beperkt. Deze situatie resulteerde in een gering aantal bezoekers. Slechts enkele honderden personen bezochten de bibliotheek en evenzoveel werken werden er uitgeleend. Nadat de bibliotheek in 1895 verhuisd was naar de MariŽnburgstraat en het pand verbouwd was, waren er twee instellingen die ijverden voor een beter gebruik van de bibliotheek. Het waren de plaatselijk VVV en het Historisch Genootschap Prodesse Conamur. Zij wisten een ruimere openstelling en een meer gevarieerde collectie te bewerkstelligen. Wat hen voor ogen stond was een openbare bibliotheek in de ware zin des woords, naar Engels voorbeeld. De inspanningen werden beloond. Het jaarlijks aantal bezoekers steeg enorm, tot ruim zesduizend in 1910. Ondanks dit resultaat was de gemeente niet erg enthousiast voor het idee. Men wilde het streng wetenschappelijk karakter van de bibliotheek bewaren en voorkomen dat het een soort volksleeszaal zou worden. Jaarlijks stelde men niet meer dan driehonderd gulden ter beschikking. Dit in schril kontrast tot de offers die men bracht om andere culturele voorzieningen tot stand te brengen.

Zo ook ten aanzien van het Museum van Oudheden, ook wel de Oudheidkamer genoemd. Dit museum was ondergebracht op de bovenverdieping van het Waaggebouw aan de Grote Markt. De collectie bestond voornamelijk uit stoffelijke resten uit Arnhems verleden, veelal geschonken door ingezetenen. Het museum leidde een kwijnend bestaan. Veel meer dan een opeenhoping van voorwerpen in een benepen ruimte was het niet, blijkens een beschrijving uit 1912. In 1897 was er de kans daar iets aan te doen. In dat jaar werd de Gemeente Arnhem universeel erfgename van de collectie van Alexander Verhuell. Onderdeel van het legaat was, dat er door de gemeente een museum gesticht zou worden in zijn voormalig woonhuis aan de Bovenbergstraat. Aangezien er uit de nalatenschap niet voldoende middelen bleven, kwam de gemeente haar belofte niet na. Het huis werd verkocht en van de opbrengst zou een museum worden gesticht. Hiermee zou ook een einde komen aan de accomodatieproblemen van het Museum van Oudheden. Het zou echter lang duren voordat het gemeentebestuur overging tot daadwerkelijke stichting van een nieuw museum. In 1912 kocht ze het gebouw van de voormalige BuitensociŽteit aan de Utrechtseweg. Daarin zou na de Eerste Wereldoorlog het gemeentemuseum worden gehuisvest. Tot die tijd is de stichting van een museum pro memorie op de begroting blijven staan.

Het particulier initiatief

Naast de bovenbeschreven eigen middelen van de gemeente om het culturele leven gestalte te geven was er natuurlijk altijd de mogelijkheid het particuliere initiatief te ondersteunen. Dit kon gebeuren door het verlenen van faciliteiten. De beschikbaarheid van gebouwen als Musis Sacrum en de schouwburg betekende voor het plaatselijk verenigingsleven een grote stimulans. Zij hebben in de loop der jaren veelvuldig gebruik gemaakt van de daar aanwezige mogelijkheden voor repetitie en uitvoering. Ook had de gemeente de mogelijkheid om door het verlenen van subsidies en kredieten het culturele leven te ondersteunen. Het principe dat meestal gevolgd werd was, dat men een bijdrage in het exploitatietekort leverde. Aan die bijdragen zat een van tevoren door de gemeenteraad vastgesteld maximum. Dat had twee voordelen. Ten eerste bleef de gemeentelijke bijdrage op deze wijze zo klein mogelijk. Op de tweede plaats had een krediet niet het structurele karakter van een bij de begroting vastgestelde subsidie. Het kwam wel voor dat kredieten die gedurende een lange reeks van jaren waren verstrekt omgezet werden in een subsidie. Dat was bijvoorbeeld het geval bij de Arnhemsche Orkest Vereniging (AOV). De maximum bijdragen die door de gemeente werden verstrekt liepen vaak op tot zo'n drieduizend gulden.

Het besteden van grotere bedragen aan culturele evenementen kwam wel onder steeds meer druk te staan in de gemeenteraad. In tijden waarin het financieel niet goed ging met de gemeente en waarin nog zoveel niet gerealiseerde projekten wachtten, was het niet verantwoord grote sommen uit te geven aan openbare vermakelijkheden. Deze kwestie kwam heel duidelijk tot uiting met betrekking tot de subsidiŽring van de AOV. Deze vereniging was in 1896 opgericht door enkele aktieve Arnhemmers om te voorkomen dat het orkest failliet zou gaan. De gemeente droeg al bij in de kosten van het orkest sinds 1890. Daarvoor verplichtte het orkest zich om jaarlijks vijfentwintig concerten te geven op de openbare pleinen in Arnhem. Tevens deed het orkest dienst als schutterijorkest. Jaarlijks bij de behandeling van de gemeentebegroting zou het krediet aan de AOV -inmiddels opgelopen tot tienduizend gulden- een strijdpunt blijken. De voorstanders stonden op het standpunt dat een luxe-stad als Arnhem wilde zijn, ter verhoging van het woongenot een dergelijk orkest niet kon ontberen. De tegenstanders vonden de post een luxe- uitgaaf, die niet in eerste instantie voor de muziek was, maar diende om te voorkomen dat de welgestelden de stad zouden verlaten. De AOV was voor het gemeentebestuur een belangrijk prestige objekt. In Nederland waren er buiten de AOV op dat moment slechts drie vergelijkbare orkesten, namelijk het Haagse Residentieorkest, het Utrechts Stedelijk Orkest en het Amsterdamse Concertgebouw Orkest. De gemeente had dus uit statusoverwegingen belang bij het voortbestaan van de AOV. Telkens wanneer de nood hoog was en het orkest met opheffing werd bedreigd, bleek de gemeente bereid bij te springen, ofwel door verhoging van de subsidie, danwel door 'ťťnmalige' financiŽle injecties.

Dat de AOV door lang niet iedereen zo werd gewaardeerd -gezien de terugloop in ledenaantal- lag beslist niet aan de werkzaamheid van het orkest. Men trad wekelijks vier tot vijf maal op binnen en ver buiten Arnhem. Het was meer de kwaliteit van het gebodene die vragen opriep. De AOV voldeed in de ogen van de meer gegoeden niet aan de eisen die men aan een dergelijk orkest mocht stellen. De Arnhemse aristocratie bezocht liever de voorstellingen van het St. Caecilia Concert, dat jaarlijks zes concerten liet uitvoeren door het Concertgebouw Orkest van Amsterdam. De AOV was voor hen niet chique en exclusief genoeg, Dat leverde de vreemde situatie op, dat het Arnhemse gemeentebestuur voor grote sommen geld een orkest in stand hield ter wille van een groep ingezetenen die zelf maar weinig waardering op konden brengen voor de verrichtingen van de AOV.

Ook op cultureel gebied heeft het gemeentebestuur van Arnhem veel gedaan om de stad tot een aantrekkelijke woonplaats voor welgestelden te maken. Men was er van overtuigd dat vertier en amusement de gefortuneerden zou kunnen overhalen tot vestiging in Arnhem en voorkomen dat de gezeten aristocratie zou wegtrekken. De gemeente heeft grote sommen geld uitgetrokken om voorzieningen te realiseren en in stand te houden, zelfs in tijden van recessie. Dat gebeurde echter nooit zonder meer. Rendementsoverwegingen zijn altijd een eerste punt van overweging geweest en bepalend voor de uiteindelijke vorm van financiering. Ook werd er niet alleen gekeken naar de financiŽle implicaties. De te verwachten effecten op de vestiging speelden een belangrijke rol. Zo kon het gebeuren dat men voor bepaalde instellingen weinig over had, omdat de invloed daarvan op de veraangenaming van het verblijf in Arnhem te gering werd geacht. De voorkeur van het gemeentebestuur ging in eerste instantie uit naar instellingen en aktiviteiten met een zeker 'uiterlijk vertoon', waaraan men een bepaalde status dacht te kunnen ontlenen. Die status was Arnhems reputatie als luxe-woonplaats voor welgestelden.