De modernisering: 1870-1910

In de tweede helft van de negentiende eeuw werd de bevolkingsontwikkeling in Nederland gekenmerkt door een trek naar de steden. Deze werd in eerste instantie veroorzaakt door een opleving van de economische bedrijvigheid in de steden. Met de groei van de steden moest ook de werkzaamheid van de gemeenten uitbreiding ondergaan. Meer mensen op vaak nagenoeg hetzelfde oppervlak eisten een grotere regelgeving en een hoger voorzieningenniveau. Ook Arnhem moest zich aanpassen aan de eisen van de tijd. Al eerder bleek dat het gemeentebestuur er veel aan gelegen was, Arnhem te ontwikkelen tot een aantrekkelijke woonstad. Het spreekt voor zich, dat de stadsontwikkeling ook van invloed was op Arnhems woonfunktie: 'Immers, speciaal de rijke menschen vragen niet in de eerste plaats, als zij zich een woonplaats kiezen, hoe hoog de belastingen zijn, maar welke genietingen en geriefelijkheden men kan verwachten.'

De nutsbedrijven In 1910 was de Gemeente Arnhem in het bezit van vijf nutsbedrijven. Daarnaast was er de waterleiding die door een particuliere maatschappij werd geŽxploiteerd. De aanwezigheid van deze bedrijven betekende zonder twijfel een aanmerkelijke verhoging van het wooncomfort in Arnhem. Bij de stichting en exploitatie van deze bedrijven speelden er voor de gemeente een aantal factoren een rol. Naast het algemeen nut, bleken ook rentabiliteit en status belangrijke overwegingen te zijn.

De gasfabriek

De gasfabriek bestond in Arnhem al sinds 1844. Ze was in handen van W.H. de Heuss uit Utrecht. Hij had een concessie verkregen voor de duur van vijfentwintig jaar. Zijn steenkolengasfabriek aan de RijnbarriŤre zou ook gas leveren voor de publieke verlichting. In 1860 werd het kontrakt herzien en overeengekomen dat er een nieuwe fabriek gebouwd zou worden aan de Westervoortsedijk. Deze zou op 1 oktober 1870 aan de gemeente worden overgedragen. Met de overname was een bedrag gemoeid van 350.000 gulden, voorwaar geen kleinigheid. De gemeente had echter informatie ingewonnen over de rentabiliteit van een dergelijke onderneming. De vooruitzichten leken gunstig te zijn. Achteraf was men zeer gelukkig met het besluit de gasfabriek in eigen beheer te gaan exploiteren. Naast het comfort van de gasverlichting en de status die men dacht te kunnen ontlenen aan de verlichting van de singels en pleinen, was de gasfabriek vooral een financieel succes. De lening was in 1891 al afgelost uit de baten van de onderneming. Uit de winsten van de fabriek kon ook nog bijna de gehele gemeenteschuld, die opgebouwd was tussen 1870 en 1879, worden gefinancierd. Tevens gebruikte men de opbrengst om de plaatselijke belastingen -de enige andere inkomstenbron van belang- zo laag mogelijk te houden. Een dergelijk florerend gemeentebedrijf bood perspectieven voor de toekomst. Door het wegvallen van de gemeentelijke accijnzen en het verminderen van rijkssubsidies had men immers dringend behoefte aan extra financiŽle middelen. Het gemeentebestuur pastte er echter wel voor op zich niet hals over kop in risicovolle ondernemingen te storten. Men verleende in eerste instantie liever een concessie aan een particuliere onderneming, met een optie het bedrijf na een aantal jaren over te kunnen nemen. Op deze wijze had men de mogelijkheid de rentabiliteit te beoordelen alvorens men tot eigen exploitatie overging.

De waterleiding

In 1874 had een rapport van de gemeentelijke gezondheidscommissie aangetoond, dat het water uit de putten en pompen in de stad van zeer slechte kwaliteit was. Dit werd veroorzaakt door de verzuring van de eerste tien meter grond door menselijke en dierlijk faecaliŽn. De gemeenteraad besloot daarop in 1883 een concessie uit te geven aan een Belgische maatschappij. Deze werd aangegaan voor vijftig jaar. Vanaf 1895 had de gemeente om de tien jaar het recht het bedrijf over te nemen. In de loop der jaren werd een aantal keren onderzocht of de gemeente baat zou hebben bij overname van de waterleiding. Telkens besloot men echter niet tot verwerving van de onderneming over te gaan. Daarbij speelde een drietal factoren een rol. Allereerst was gebleken dat de rentabiliteit van de Arnhemse waterleiding in vergelijking met die in andere steden bijzonder gering was. Na een prijsverlaging in 1895 werd dit iets beter. Op de tweede plaats vroeg de waterleidingmaatschappij bedragen voor de overname die de gemeente als te hoog ervoer. Tenslotte lag er in het verschiet dat er in de nabije toekomst hoge investeringen gedaan moesten worden. Een tweede hoogwaterreservoir aan de Bakenbergseweg zou noodzakelijk worden om voor voldoende druk te zorgen voor de hoger gelegen noordelijke stadsdelen. Kortom, er viel weinig winst te behalen terwijl het risico van de onderneming voor de gemeente zou zijn. Het besluit om de exploitatie van de waterleiding aan particulieren over te laten is altijd aan kritiek onderhevig geweest. Velen hadden liever gezien dat de gemeente zich een tweede nutsbedrijf had verworven. Immers naast rentabiliteit, moest juist de gemeente ook andere overwegingen laten meespelen zoals de openbare gezondheidstoestand en het algemeen nut.

De gemeentelijke telefoon

In het licht van de verwikkelingen rond de waterleiding, is de beslissing van het gemeentebestuur om over te gaan tot gemeentelijke exploitatie van een telefoonnet opmerkelijk. De motieven die hier een rol speelden waren van geheel andere aard. In 1896 besloten B&W en de gemeenteraad, op advies van Tellegen, om de concessie die sinds 1852 verleend was aan de Bell-Telefoonmaatschappij, niet te verlengen. Nadat men in Amsterdam en Den Haag een gemeentetelefoon had gesticht, besloot ook Arnhem een nieuw telefoonnet aan te leggen en te exploiteren. Een nieuw net was nodig, omdat de installatie van Bell sterk verouderd was en gebrekkig functioneerde. Voorts hoopte B&W door lagere tarieven de telefoon voor meer ingezetenen bereikbaar te maken. De raad besloot 125.000 gulden beschikbaar te stellen voor de aanleg. Men wilde de telefoon in een straal van tien kilometer rond de gemeente exploiteren, zodat ook delen van de omringende gemeenten Rheden, Renkum, Rozendaal, Westervoort, Huissen en Elst aangesloten konden worden, uiteraard tegen speciaal tarief. Omdat de telefoonexploitie met een paar honderd aansluitingen ten goede kwam aan slechts een zeer klein deel van de Arnhemse bevolking, was de operatie wel wat dubieus. Het streven van het gemeentebestuur de telefoon voor meer mensen bereikbaar te maken was op zich loffelijk. Men kan zich echter afvragen in hoeverre het werkelijk in het belang der gemeente was om haar werkzaamheid uit te breiden met een telefoonexploitatie. De inwoners die gebruik wilden maken van een telefoonaansluiting waren waarschijnlijk ook wel in staat geweest de tarieven van Bell te betalen. Deze kritiek was ook in de gemeenteraad te horen. B&W lieten de Arnhemse gemeenschap onder het mom van een nutsbedrijf de lasten van een instelling dragen, waarvan slechts een gering deel van de bevolking gebruik maakte.

De electriciteitscentrale

In 1906 werd in Arnhem de gemeentelijke electriciteitscentrale gebouwd. De bouw en ingebruikname van dit derde gemeentelijke nutsbedrijf hadden een lange voorgeschiedenis. Reeds in 1889 had de commissie van beheer van de gasfabriek een onderzoek ingesteld naar de haalbaarheid en wenselijkheid van electrische verlichting voor een deel van de stad. Het ging hierbij met name om Musis Sacrum en de schouwburg. Electrische verlichting was op dat moment in Nederland nog schaars en duur en daarom een luxe. Verlichting van de singels zou een investering vergen van 94.000 gulden. De verlichting van Musis 12.000 gulden. B&W en de raad concludeerden dat er nog teveel risico's aan de exploitatie zaten en besloten te wachten op het particuliere initiatief. Ook nu weer kwamen er protesten. De electrische verlichting was immers mooi en zou het luxe karakter van Arnhem verhogen en daarmee de vestiging van welgestelden bevorderen. Tevens zou er misschien -net als met de gasfabriek- geld mee te verdienen zijn. Het gemeentebestuur liet zich echter niet vermurwen. In de jaren negentig diende het particuliere initiatief zich aan. Verschillende maatschappijen trachtten een concessie te krijgen voor de aanleg en exploitatie van een electriciteitsnet. Met name vanuit de winkelstand in de binnenstad was daar erg veel belangstelling voor. In tegenstelling tot dat wat men op grond van de besluiten uit 1889 zou verwachten hielden B&W de boot af. Daar waren twee redenen voor. Bij het gemeentebestuur bestond de angst dat de electrische verlichting een enorme vlucht zou nemen. Hierdoor kon de gasfabriek concurrentie worden aangedaan. Voorts wilde de gemeente, wanneer er dan toch electrische verlichting zou komen, daar zelf de vruchten van plukken en niet voor lange tijd vastzitten aan een concessieverlening. Toen B&W bleven weigeren concessies te verlenen aan particulieren, werd er op verzoek van een aantal raadsleden een onderzoek ingesteld naar de mogelijkheid een gemeentelijke electriciteitscentrale te stichten. Electrische verlichting zou Arnhem de mogelijkheid bieden beter te kunnen concurreren met andere gemeenten die in trek waren als vestigingsplaats voor welgestelden zoals Nijmegen en Den Haag. Men dacht door een feeŽrieke verlichting van de singels en de mogelijkheid voor particuliere aansluiting de trek naar Arnhem weer op gang te kunnen brengen. Nadat er een aantal ontwerpen de revue waren gepasseerd besloot de gemeenteraad op voorspraak van B&W uiteindelijk een centrale te stichten en over te gaan tot electrische verlichting van de singels en een aantal openbare gebouwen. Ook particuliere aansluitingen behoorden tot de mogelijkheden. Voor de realisering van het plan zou een half miljoen gulden nodig zijn. Voor de bouw kocht de gemeente een terrein aan de Gasthuiswaard van 738 hectare. Ten gelegenheid van de invoering van de electrische verlichting werd er door de Maatschappij van Nijverheid een grote electriciteitstentoonstelling georganiseerd in Musis Sacrum. De openbare verlichting aan het station en de toegangswegen zou tot 's avonds elf uur blijven branden. Dat was een goede reclame voor Arnhem bij de vreemdelingen dacht men.

De electrische tram

De electrificatie van de gemeente zette ook de deur open voor de verwerving en exploitatie van een vijfde gemeentelijk nutsbedrijf. Inmiddels was er namelijk ook al een gemeentelijk slachthuis gesticht. In Arnhem werd sinds 1879 een paardetram geŽxploiteerd door de N.V. Arnhemsche Tramweg Maatschappij (ATM). Deze had van de gemeente een concessie gekregen voor dertig jaar. Toen echter in 1907 de electrische centrale een feit was en daarmee de mogelijkheid van electrische tractie, besloot het gemeentebestuur over te gaan tot de exploitatie van een gemeentelijke electrische tram. Een motief dat het gemeentebestuur leidde in deze beslissing was dat uitbreiding van het tramnet voor de vestiging van welgestelden, met name in de noordelijke stadsdelen, zeer gewenst was. Daarnaast was men zich bewust van de voordelen van goede verbindingen met de omgeving in verband met het groeiend toerisme. Al sinds het begin van de eeuw hadden met name de raadsleden Jhr.Mr.H.A.Elias en Mr.C.J.Baron van Tuijll van Serooskerken steeds weer aangedrongen op het realiseren van goed en modern openbaar vervoer in verband met de ontwikkeling van het toerisme. De gemeentelijke exploitatie van een electrische tram was in Nederland al geen onbekend verschijnsel meer. Arnhem wilde niet achterblijven bij haar zustergemeenten. Daarom stapte men heen over de onzekere financiŽle uitkomsten van een dergelijk bedrijf en stelde de gemeenteraad ruim 450.000 gulden beschikbaar voor de overname van de ATM per 1 januari 1910.

Algemeen nut, rentabiliteit en status

De aanwezigheid van deze nutsbedrijven betekende zonder meer een aanmerkelijke verbetering van het wooncomfort te Arnhem. Hierdoor hoopte het gemeentebestuur de stad beter te kunnen laten concurreren met andere 'woongemeenten' in Nederland. Bij de aanleg van de voorzieningen is het niet mogelijk van een bevoorrechting van de welgestelden te spreken. De eerste aanleg concentreerde zich altijd rond het oude stadscentrum. Vandaaruit volgde men over het algemeen de stadsuitbreiding. Het was niet zozeer de aanleg alswel de voorwaarden voor aansluiting die de Arnhemse gemeentebedrijven tot voorzieningen voor een relatief klein deel van de bevolking maakten. Uitzonderingen hierop werden gevormd door de gasfabriek en de waterleiding. Deze hebben waarschijnlijk nog het meest beantwoord aan de doelstelling van algemeen nut. De prijzen van het gas zijn in Arnhem in de loop van die jaren alleen maar gedaald. Van twaalf cent per m3 in 1870 tot zes cent per m3 in 1892. In 1890 had dertig procent van de Arnhemse gezinnen een aansluiting op het gasnet. De waterleidingmaatschappij verlaagde eveneens in de loop van de jaren negentig haar tarieven, voerde termijnbetalingen in en gratis aanleg bij een bepaalde afname. In 1896 voerde zij vrijwillig een arbeiderstarief in. In 1906 was zestig procent van de gezinnen aangesloten. Ondanks het feit dat door de gemeentelijke exploitatie de tarieven waren gedaald, bleef de telefoon een luxe voorziening. In tijden waarin het gemiddelde weekloon van een geschoolde arbeider rond de tien gulden bedroeg, zal de telefoon zeker niet tot de eerste levensbehoeften hebben behoord. Nog geen tien procent van de gezinnen beschikte in 1906 over een telefoonaansluiting. Een soortgelijke situatie deed zich voor bij de electrische centrale. Bij de bouw was er rekening gehouden met 4.450 aansluitingen. Een kleine veertig procent van de Arnhemse gezinnen zou daardoor aangesloten kunnen worden. De tarieven waren in Arnhem niet hoog vergeleken met die in andere Nederlandse steden. Desondanks was het aantal afnemers gering. In 1909 waren er dat driehonderddrieŽntachtig, waarvan er honderdzesenvijftig winkelbedrijven waren. De groep particuliere afnemers was en bleef klein. In datzelfde jaar waren er slechts zesentachtig woonhuizen aangesloten. Het doel van de electrificatie was allereerst het tot stand brengen van een mooie openbare verlichting. De mogelijkheid van particuliere aansluiting was een middel om een deel van deze verlichting te kunnen financieren. De voorwaarden voor aansluiting maakten het voor grote groepen onmogelijk electriciteit te betrekken. De aanvrager moest zestig procent van de aanlegkosten betalen en een minimumafname garanderen. Het is ten aanzien van deze voorwaarden dat er een aantal keren van een doelbewuste bevoordeling van de welgestelden sprake is. In 1906 kwamen er aanvragen het net uit te breiden over de Apeldoornseweg. Zo kon de in ontwikkeling zijnde Transvaalbuurt aangesloten kon worden. Op dat moment zagen B&W af van het stellen van bovengenoemde voorwaarden. Motief was, dat het in de ogen van het gemeentebestuur van het grootste belang was electriciteit te kunnen bieden in de herenhuizen die daar gebouwd werden. In 1910 was er nog een dergelijk geval. De particulier H.A. van Leeuwen bouwde een kapitale villa op de Braamberg. Wederom waren B&W bereid de voorwaarden te verzachten. Men was veel te verheugd dat er na jaren eindelijk weer eens een echte villa werd gebouwd. Daarvoor was de gemeente bereid faciliteiten te verlenen. Want, aldus wethouder Cordes: '...en hier primeert het belang der gemeente, waarvan de aantrekkelijkheid door het stichten eener fraaie buitenplaats daar aan den Apeldoornschen weg, zonder twijfel zal verhoogd worden. Wanneer deze buitenplaats gesticht wordt, zullen meerdere villa's volgen...'

Bij de overwegingen van het gemeentebestuur, om al of niet over te gaan tot gemeentelijke exploitatie van nutsbedrijven hebben een aantal factoren een rol gespeeld. Een zwaarwegende factor was de mogelijke rentabiliteit. De winsten uit de gemeentelijke bezittingen waren een belangrijke inkomstenbron geworden. Dit puur financiŽle motief riep principiŽle vragen op. Mochten gemeentebedrijven wel winst maken? En zo ja, mochten deze dan gebruikt worden om de plaatselijke inkomstenbelasting zo laag mogelijk te houden? Moest het doel van gemeentelijke bedrijfsvoering eigenlijk niet zijn, een zo goedkoop mogelijke exploitatie, met een kleine winst en zo laag mogelijke tarieven voor de ingezetenen? Deze factor, het nut voor de hele Arnhemse gemeenschap, is niet altijd even duidelijk aanwezig bij de motieven van het gemeentebestuur. De verwikkelingen rond de telefoon en electrische centrale maakten dat duidelijk. Deze voorzieningen waren slechts bereikbaar voor een gering aantal Arnhemmers. Het is opvallend dat juist het bedrijf dat het meest aanspraak zou kunnen maken op de naam 'nutsbedrijf', de waterleiding, uit rentabiliteitsoverwegingen niet in gemeentelijke handen kwam. Het heeft er alle schijn van dat naast de financiŽle motieven, de factor status een belangrijke rol heeft gespeeld. Men wilde in Arnhem niet achterblijven bij andere gemeenten. Arnhem moest in vergelijking met haar zustergemeenten gunstig afsteken als luxe woonoord. Met de aanwezigheid van 'gerieflijkheden voor de burger' kon men in den lande reclame maken. Het is moeilijk de factoren status, rentabiliteit en algemeen nut in een vaste onderlinge rangorde te plaatsen. De indruk bestaat echter dat de eerste twee in veel gevallen zwaarder wogen dan die van het algemeen nut.

De openbare werken

Door de instelling van de gemeentewet in 1851 werden de gemeenten in Nederland belast met de uitvoering van taken die daarvoor tot het werkgebied van de rijksoverheid behoorden. Ook de groei van de bevolking en de uitbreiding van de steden stelden de gemeentebesturen voor steeds meer vraagstukken met betrekking tot de infrastructuur. Nieuwe woonwijken behoefden voorzieningen en in de oudere stadsdelen moest vaak veel verbeterd worden. De veranderde instelling van de bevolking en overheid ten aanzien van hygiŽne stelde andere en veelal zwaardere eisen aan de gemeentelijke voorzieningen op het gebied van reiniging en vuilafvoer. Zo had de dienst publieke werken van de Gemeente Arnhem in de tweede helft van de negentiende eeuw een steeds grotere betekenis gekregen. Op 1 april 1887 leidde dat tot de instelling van het bureau gemeentewerken. Tot de verantwoordelijkheden van het bureau behoorde het beheer en toezicht op de gemeenteeigendommen. Ook werd het bureau steeds vaker ingeschakeld bij het realiseren van nieuwe projecten in Arnhem.

GemeentefinanciŽn

Zoals eerder aan de orde was, stonden de openbare werken in Arnhem onder sterke druk van het gevoerde financiŽle beleid van B&W. Dat hield in dat men de plaatselijk belasting zo laag mogeljk wilde houden en geen geld wilde lenen voor niet-renderende werken. Het is duidelijk, dat projecten als nieuwe straataanleg, het stichten van gebouwen voor de openbare dienst of de aanleg van riolering allen werken waren die niet rendeerden. In feite gold dat voor nagenoeg alle openbare werken. De uitgaven voor openbare werken verdriedubbelden tussen 1885 en 1910 in absolute cijfers. In procenten van de gewone uitgaven van de gemeente namen ze echter zienderogen af. Gaf men in 1883 nog vijftien procent uit voor openbare werken, in 1894 was dat percentage al gedaald tot dertien en in 1904 tot elf. Hoewel de bevolking na 1880 niet meer zo sterk groeide, nam deze tussen 1885 en 1905 toch toe met zo'n dertig procent. De uitgaven voor openbare werken hielden dus beslist geen gelijke tred met de bevolkingsgroei. Er werd relatief steeds minder geld ter beschikking gesteld. Gevolg van deze ontwikkeling was, dat er in Arnhem op dit gebied niet gerealiseerd werd, wat de tijd en omstandigheden eistten. Niet zelden werd er bezuinigd op de post openbare werken om de begroting sluitend te maken.

De openbare weg

Een van de meest belangrijke taken van het bureau gemeentewerken was de aanleg en het onderhoud van het gemeentelijke wegennet. De stadsuitbreiding bracht met zich mee dat er steeds nieuwe wegen moesten worden aangelegd. De reeds bestaande wegen waren vaak nog onverhard en werden beklinkerd. Pas sinds 1871 had de gemeente enige vat gekregen op de aanleg van wegen. In dat jaar was er de bepaling in de bouwverordening opgenomen, dat straten en pleinen alleen in een door de gemeente aangegeven richting mochten worden aangelegd. Ook de breedte werd door de gemeente voorgeschreven. Vůůr die tijd waren particuliere grondeigenaren zo goed als vrij om naar eigen goeddunken wegen en straten op hun terreinen aan te leggen. In 1886 trad er een nieuwe bouwverordening in werking. Hierin was vastgelegd dat de gemeente verantwoordelijk was voor de straataanleg. Vanaf dat moment ging de gemeente steeds meer straten overnemen van particulieren. Ook aanvaardde de gemeente steeds meer grond in eigendom om er wegen op aan te leggen. In principe had de gemeente zich gevrijwaard van kosten bij deze transacties. Er werd uitgegaan van de regel dat de gemeente de gronden slechts overnam wanneer de eigenaar bereid was de kosten van bestrating, twee maal herstraten en de aanleg van plantsoenen en riolen te betalen. Het gemeentebestuur ging er vanuit dat degenen die het meeste belang hadden bij de aanleg van de straten -de bouwspeculanten- ook de kosten moesten dragen. Regelmatig maakte het gemeentebestuur echter uitzonderingen op deze regel. Men bleek in voorkomende gevallen bereid met veel minder genoegen te nemen dan waar krachtens de bouwverordening aanspraak op gemaakt kon worden. Op de eerste plaats gebeurde dat wanneer het ging om wegen die de gemeente graag in haar bezit wilde hebben. Het betrof dan voornamelijk de toegangswegen tot de stad zoals de Zijpendaalseweg en de Apeldoornseweg, die de gemeente in 1886 en 1889 van baron van Heeckeren en H.W. Brantsen overnam. Op de tweede plaats was de gemeente soms erg soepel bij het toepassen van de verordening wanneer het de overname van grond of wegen betrof op voor de villabouw bestemde terreinen. Het gemeentebestuur achtte het in het belang der gemeente dat de ontwikkeling van de villaparken zoveel mogelijk bevorderd werd. Het motief lag voor de hand: Arnhem moest een aantrekkelijke vestigingsplaats voor welgestelden zijn. Bij de overname van wegen in de villaparken van de N.V. Fortuna op Hulkestein, het Ettypark van Th. Etty en de latere Burgemeesterswijk van H. Kooij Jr. bleek de gemeente bereid de bouwondernemers aanzienlijk tegemoet te komen. Op deze wijze betaalde de gemeente mee aan de exploitatie van de villaparken. Ook bleek de gemeente ondanks haar krappe beurs wat over te hebben voor de verfraaiing van haar wegennet. Men kocht grond aan de Velperweg van J.H. LŁps om er een wandelpad aan te kunnen leggen van Rennenenk tot Angerenstein. En terwijl B&W zeiden geen geld te hebben voor de beklinkering van wegen in het centrum van de stad en de bestrating van de Markt, werd dat voetpad in 1892 wŤl verhard met sierbestrating want, zo zei men, de Velperweg was immers de trots van Arnhem: 'Den sierlijken weg bederve men niet door 'n onooglijk trottoirtje.' De buitenwegen mochten zich verheugen in de gunst van het gemeentebestuur. Terwijl er in de binnenstad lange tijd nog veel straten ongeplaveid waren, verkeerden de buitenwegen vaak in veel betere conditie. Op de buitenwegen werd immers gewandeld, daar reden de equipages. Het waren de buitenwegen die door de vreemdelingen werden bezocht en daarom in de ogen van Arnhems bestuurders het eerst moesten worden onderhouden. In het begin van deze eeuw ontdekte men in Arnhem de voordelen van asfaltbestrating en men besloot snel over te gaan tot asfaltering van de belangrijkste winkelstraten, de singels, het Velperplein, de Nieuwe Kade en de Steenstraat. In totaal gaf men tussen 1901 en 1910 bijna 300.000 gulden uit voor dat doel. Opmerkelijk was dat de meeste van deze straten niet lang daarvoor beklinkerd waren. Deze bestrating had nog jaren kunnen voldoen. B&W kozen toch voor het asfalt, omdat het centrum van de stad er een fraai en vooral modern karakter van zou krijgen. Ook de plaatselijke winkelstand was een groot voorstander van de asfaltering. Men dacht er een bepaalde status aan te kunnen ontlenen. De voortvarendheid waarmee men in dit geval optrad stond in schril kontrast tot de traagheid waarmee het gemeentebestuur een aantal andere voorzieningen realiseerde.

De sanering en riolering van Klarendal

Die traagheid betrof allereerst de sanering en riolering van de arbeiderswijk Klarendal. Deze wijk ten noord-oosten van de spoorlijn Arnhem-Emmerich was ontstaan ten tijde van de ongecontroleerde bouwwoede tussen 1850 en 1870. De bewoners leefden er vaak onder erbarmelijke omstandigheden, getuige de verslagen van de gezondheidscommissie. De situatie in Klarendal werd vooral gekenmerkt door slechte hygiŽnische omstandigheden en een zeer slechte kwaliteit van de woningen. Nu stond een sanering van Klarendal al heel lang op het programma van B&W. Een eerste saneringsplan van de toenmalige stadsarchitekt Van Gendt werd al in 1863 door de gemeenteraad verworpen vanwege de hoge kosten. Ook pogingen om tot betere hygiŽnische toestanden in de stad te komen dateerden al van die tijd. In Arnhem bestond namelijk geen rioleringsstelsel. Er was een zogenaamd 'open gotensysteem'. Afval- en huishoudwater werden langs open goten afgevoerd om uiteindelijk in de Rijn te worden geloosd. Hoewel ze regelmatig gespoeld werden gaven de goten veel overlast. Enerzijds was er de stank: naast het normale huishoudwater werd ook het afvalwater van bijvoorbeeld wasserijen en slachterijen door de goten afgevoerd. Op de tweede plaats bevroren de goten en de straten in de winter, met alle gevolgen van dien. De gemeentereiniging, die haar handen vol had aan de afvoer van faecaliŽn uit de zogenaamde 'tonnetjes' kampte voortdurend met materiaal- en personeelsgebrek. Op deze wijze kon zij niet voldoen aan de eisen die er aan de dienst werden gesteld. Op verzoek van de raad, werd in 1887 de riolering pro memorie op de begroting gezet en nam men het principebesluit, langzaam over te gaan tot de aanleg van een riolering. In 1890 besloot men tot de sanering van Klarendal. Met deze sanering werd in 1893 een begin gemaakt. Het zou tot 1907 duren eer men begon aan de riolering. Dat dit zolang duurde werd veroorzaakt door het feit dat het rioleringsplan door B&W gekoppeld was aan een uitbreidingsplan ten zuiden van de stad in het Arnhemse Broek. De totale kosten van dit plan bedroegen twee miljoen gulden. De riolering van Klarendal (en Plattenburg) was daar slechts een onderdeel van. Dit plan werd al in 1895 door het bureau gemeentewerken aan het gemeentebestuur gepresenteerd. Het was ontworpen door Tellegen. Hij wilde op het terrein in het Arnhemse Broek riolering, straten en wegen aanleggen. De gemeente zou dus zelf een bouwterrein aanleggen en gaan exploiteren. Naast het voordeel dat men de riolering van Klarendal en Plattenburg op die in het Broek kon laten aansluiten, hield het gemeentebestuur zo de stadsuitbreiding in de hand. Verder ontstond de mogelijkheid voor een tweede weg naar Velp Ťn had men een waarborg voor een goede bereikbaarheid van de fabrieksterreinen die te zijner tijd aan de Rijn zouden worden aangelegd. Uiteindelijk heeft de gemeente de terreinen wel aangekocht, maar vanwege de hoge kosten niet in exploitatie gebracht. Hierdoor moest de riolering van Klarendal ook wachten. Pas in 1907 besloot het gemeentebestuur de riolering los te koppelen van het uitbreidingsplan in het Broek.

J.W.C. Tellegen en het Bureau Gemeentewerken

De nieuwe 'alles of niets' werkwijze van het bureau gemeentewerken had zijn intrede gedaan onder direkteur Tellegen. Tellegen, geboren Groninger kwam in 1887 na een studie aan de Polytechnische School in Delft als civieltechnisch ingenieur naar Arnhem. Hij werd benoemd als hoofdopziener bij gemeentewerken en woonde aan de Dijkstraat 11. Vier jaar later, in 1891 volgde hij A. Lindo op als direkteur van het bureau gemeentewerken. Tellegen was een hervormer, Jong-Liberaal en lid van de Vrijzinnig Democratische Bond. Zijn grote passie was het sociale vraagstuk en in het bijzonder de volkshuisvesting. Hij had een voorliefde voor grote samenhangende projecten. Deze werden door zijn bureau vaak op eigen initiatief ontwikkeld, tot in details uitgewerkt en vervolgens aan B&W en de gemeenteraad aangeboden. Tellegens ambitieuze en voortvarende optreden leidde al in 1893 tot een motie van wantrouwen tegen de verantwoordelijk wethouder Mr. I. Everts. Hem werd verweten teveel naar de pijpen van Tellegen te dansen. In feite was Tellegen wethouder en Everts zijn advocaat bij de raad, zo beweerde men. Tellegens werkwijze had wel als consequentie, dat de medewerkers van zijn bureau zich steeds meer gingen bezighouden met beleidsvoorbereiding en het ontwikkelen van plannen (ook zonder politieke opdracht). Hierdoor hadden ze weinig tijd over voor uitvoerende werkzaamheden. Omdat het bureau deze ook nog eens het liefst in eigen beheer uitvoerde in plaats van ze uit te besteden aan derden kon het gebeuren dat de voortgang van de werkzaamheden over het algemeen erg traag was. Veel tijd en energie gingen verloren doordat Tellegens plannen nogal eens om financiŽle redenen niet doorgingen. De bevlogenheid, visie en inzet waarmee Tellegen te werk ging hadden echter ook de aandacht buiten Arnhem getrokken. In 1901 werd te Amsterdam het bouw- en woningtoezicht ingesteld. Mede door zijn ervaring bij de sanering van Klarendal werd Tellegen benaderd voor een funktie als direkteur. Hij aanvaardde de benoeming, verliet Arnhem en zou zich in Amsterdam zo verdienstelijk maken, dat hij in 1915 tot burgemeester werd benoemd. In 1921 stierf deze 'pionier' van de volkhuisvesting.

Traagheid

De traagheid waarmee sommige projecten in Arnhem tot stand kwamen viel niet alleen maar toe te schrijven aan de werkwijze van het bureau gemeentewerken. Zaken als de ontwikkeling van een fabrieksterrein in het Arnhemse Broek, de aanleg van een nieuwe haven bij Malburgen, een nieuw spoorwegemplacement aan de Westervoortsedijk en de kwestie van de vaste oeververbinding over de Rijn stonden al lang op de agenda. Ze vergden echter een zeer grote financiŽle inspanning. De gemeente kon deze niet alleen leveren. De verwezenlijking hing dus mede af van de provincie en het rijk. De onderhandelingen tussen de gemeente en deze overheden verliepen moeizaam en traag. Op de tweede plaats had het Arnhemse gemeentebestuur niet veel over voor handel en industrie. Er heerstte in Arnhem geen industriŽle geest. Men zocht de toekomstige ontwikkeling van de stad niet in die richting. Veel eerder had men het streven om van Arnhem een aantrekkeljke woonstad te maken. Inrichtingen voor industrie en handel pasten niet in dat beeld. Daarom werkte men met meer voortvarendheid aan stadverfraaiing. Ondanks het feit dat er voor de openbare werken steeds minder geld ter beschikking kwam, had het gemeentebestuur naar verhouding veel geld over voor juist die projecten. Men was zelfs bereid er geld voor te lenen, hoewel dat in strijd was met de uitgangspunten van het investeringsbeleid. Andere werken, ook al waren ze uit het oogpunt van het algemeen belang noodzakelijk, werden onnodig lang uitgesteld.

Welgestelden en woongelegenheid

Naast alle pogingen van het gemeentebestuur om Arnhems aantrekkingskracht op de welgestelden te vergroten moest er natuurlijk ook voldoende en geschikte woonruimte aanwezig zijn om de vestiging van gefortuneerden mogelijk te maken. Ook hier kon het gemeentebestuur sturend optreden. Zij kon immers beslissen over de stadsuitbreiding door middel van de bouwverordening en de voorwaarden bij de verkoop of uitgifte in erfpacht van gemeentegrond.

De stadsuitbreiding

Al eerder is aan de orde geweest, dat de stadsuitbreiding tussen 1850 en 1880 maar ten dele geslaagd was. Deze teleurstellende ontwikkeling had bij het gemeentebestuur in het begin van de jaren tachtig tot een aantal nieuwe denkbeelden geleid. Men wilde het bouwen overlaten aan particulieren, maar daarbij hoge eisen stellen aan de aanleg van wegen, straten en pleinen. De door particulieren geŽxploiteerde stadsuitbreiding was een kwestie van algemeen belang en mocht de gemeente daarom geld kosten. Aanleiding voor deze nieuwe inzichten was het 'Boulevardplan' uit 1877 van de architekt H.J. Heuvelink Jr. Hij wilde een terrein in het zuid- oosten dat aansloot op het Spijkerkwartier in exploitatie brengen. Hij vroeg de gemeente de onderneming voor 40.000 gulden te subsidiŽren. In ruil hiervoor zou hij een aantal voorzieningen aanbrengen. Bij het verlenen van de steun stelde B&W eisen aan de soort bebouwing die er moest komen: er moesten herenhuizen gebouwd worden. De raad ging accoord en hiermee steunde de gemeente voor het eerst een particuliere bouwonderneming. In de daaropvolgende jaren zou men vasthouden aan die uitgangspunten. De gemeente was bereid bouwondernemers faciliteiten te verlenen voor de stichting van villaparken, maar stelde daarbij wel als eis dat de terreinen exclusief voor de villabouw bestemd moesten worden. Dit soort bepalingen omtrent de aard van de bebouwing werden gesteld bij het verlenen van bouwvergunningen voor achtereenvolgens het Ettypark in 1886, Hulkestein in 1894, de Transvaalbuurt in 1899, het Artilleriepark en de nieuw te stichten wijk ten noorden van de St. Peter- en St. Antonielaan in 1910. Tussen 1885 en 1910 werden er door particulieren vijf terreinen exclusief voor de villabouw in exploitatie gebracht. Het waren, de Boulevardwijk van de Arnhemsche Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende Goederen onder leiding van H.J. Heuvelink Jr.; Hulkestein van de N.V. Fortuna; het Ettypark van Th. Etty; de Transvaalbuurt en een deel van het Burgemeesterskwartier van de Maatschappij tot Exploitatie van Sonsbeek onder leiding van H. Kooij Jr. en de terreinen aan de Velperweg en Ernst Casimirlaan van de N.V. Huizen en Gronden Maatschappij van J.H. LŁps.

Naast deze ondernemingen op het gebied van de villabouw waren er ook, die zich bezighielden met de bouw van meer eenvoudige huizen. De burgerwoningen in het Sonsbeekkwartier werden gebouwd en geŽxploiteerd door de Arnhemsche Bouwgrondmaatschappij van de architekten Van Gendt en Nieraad. Voorts waren er meerdere kleine aannemers die een aantal arbeiderswoningen in beheer hadden. Een voorbeeld daarvan was G.A. Smits die aan de Tivolilaan een twintigtal van deze huisjes bouwde en verhuurde. Overigens waren de woonomstandigheden hier verre van ideaal. Op het gebied van de volkshuisvesting was sinds 1894 de woningvereniging Openbaar Belang actief. Zij bouwde een aantal arbeiderswoningen op Lombok. De samenwerking tussen gemeente en Openbaar Belang verliep in eerste instantie stroef. Hoewel de gemeente sympathiek stond tegenover de uitgangspunten van de vereniging, wilde men geen gemeentegarantie verstrekken voor de lening die afgesloten moest worden om de huizen te kunnen bouwen. Motief daarvoor was dat Openbaar Belang zou kunnen gaan concurreren met de particuliere bouwondernemers die: '...in deze Gemeente een belangrijke industrie vertegenwoordigen.' De woningen op Lombok moesten die op Klarendal vervangen zodat daar gesaneerd kon worden. De gemeente verkocht later wel een deel van de grond op Klarendal ten behoeve van de volkshuisvesting aan Openbaar Belang. Ook besloot de gemeente tot indirecte financiŽle steun door de gemeentelijke spaarbank toe te staan geld te beleggen in obligaties van de vereniging. De steun aan de volkshuisvesting was dus aarzelend en verhuld.

De voorkeur van de gemeente voor de villabouw bleek begin deze eeuw ook uit het beleid dat men voerde met betrekking tot de erfpacht. De sociaal-democraten in de gemeenteraad ijverden voor invoering van de erfpacht, omdat daarmee de sociale woningbouw en de handel en industrie bevorderd zouden worden. B&W wilden de mogelijkheid tot het kopen van grond openhouden. De reden daarvoor was, dat op dat moment de Arnhemsche Bouwgrondmaatschappij terreinen tussen de St. Antonielaan en de Apeldoornseweg als villapark in ontwikkeling wilde brengen. Voorwaarde was echter dat men de grond in eigendom kon verwerven. Nu hadden B&W ontdekt, dat de vestiging in Den Haag afnam vanwege de belastingplannen daar. Men zag nu de kans schoon om de stroom gefortuneerden van Den Haag naar Arnhem te verleggen. De keuze was moeilijk: wanneer men geen grond meer zou verkopen kon men de villabouw wel vergeten. Wanneer men geen grond in erfpacht zou uitgeven werden sociale woningbouw, handel en industrie ernstig belemmerd. Vandaar dat men besloot beide mogelijkheden naast elkaar te laten bestaan. Doordat de voorkeur van het gemeentebestuur echter uitging naar verkoop van grond, werd de andere mogelijkheid belemmerd en bleven de grondprijzen laag.

Uitbreidingsplan

Niettegenstaande de slechte ervaringen die het gemeentebestuur had opgedaan tussen 1850 en 1880 verliep de stadsuitbreiding niet volgens een tevoren vastgesteld plan. In 1890 waren er enkele raadsleden die met afgunst keken naar de bloei die Nijmegen op dat moment doormaakte. Die bloei stond in schril kontrast met de stilstand in Arnhem vond men. De remedie voor Arnhem zou kunnen zijn dat de gemeente volgens een plan van uitleg nieuwe aantrekkelijke woonkwartieren moest stichten. De vestiging zou daardoor bevorderd worden. B&W wilden echter niets weten van een dergelijk plan. De bouwverordening van 1886 bood voldoende waarborgen tegen misstanden vond men. In 1902 werd de gemeente gedwongen tot het opstellen van een uitbreidingsplan. Dat was het gevolg van de woningwet en gezondheidswet, die in dat jaar van kracht werden. De gemeente kreeg wederom meer verantwoordelijkheden van het rijk toebedeeld. Onderdeel hiervan was het straten- en pleinenplan dat op 17 juli 1905 door de raad werd vastgesteld. In dat jaar werd ook de bouwverordening uitgebreid gewijzigd om ze in overeenstemming met de woningwet te brengen. Na 1905 zou men kunnen spreken van systematische stadsuitbreiding in Arnhem. Gedeputeerde Staten van Gelderland, die hun goedkeuring aan het uitbreidingsplan moesten geven waren overigens wel van mening dat de villabouw een onevenredig groot aandeel in het plan had. De gemeente moest in hun ogen meer terreinen voor de sociale woningbouw bestemmen. Zover wilde de raad niet gaan. Men wilde zich omtrent de aard van de bebouwing niet van tevoren vastleggen. Dat was immers een zaak tussen de gemeente en de bouwondernemers. Aan de villaparken wenstte men niet meer te tornen omdat er met sommige eigenaren al overeenstemming was bereikt over de soort bebouwing. Het is duidelijk dat het gemeentebestuur de handen vrij wilde hebben bij de stadsuitleg om deze in hun ogen voor Arnhem zo voordelig mogelijk tot stand te brengen. De bouw van arbeiderswoningen had daarbij niet de voorkeur van het gemeentebestuur. Men was wel overtuigd van de noodzaak ervan, echter het meeste voordeel zou de gemeente hebben van de baten die de gefortuneerden naar de stad brachten.

Villabouw en leegstand

De bouwaktiviteit in Arnhem verkeerde tussen 1885-1910 in een periode van malaise. Er werd over het algemeen weinig gebouwd en de werkloosheid onder de bouwarbeiders en grondwerkers was groot. De bouwaktiviteit beperkte zich grotendeels tot de bouw van kleine aantallen arbeiders- en burgerwoningen. Tot 1899 vond de stadsuitbreiding voornamelijk plaats in de wijken St. Marten, Klarendal, Lombok, en het Sonsbeekkwartier. Vanaf 1899 leek het iets beter te gaan in de bouwnijverheid. Voor het eerst sinds 1885 werd er in de verslagen van de Kamer van Koophandel gesproken over 'veel werk'. Deze opleving werd in belangrijke mate veroorzaakt door het in ontwikkeling komen van de villaparken van Etty en Kooij. Het leek erop alsof met de aankoop van Sonsbeek de neergaande ontwikkeling die Arnhem had doorgemaakt ten goede werd gekeerd. Het was echter een illusie te veronderstellen dat de bloei van het bouwbedrijf alleen afhankelijk was van de aanwezigheid van een stadspark. Na 1906 stortte de bouwvak weer volledig in als gevolg van een 'ongunstige geldmarkt'. Hoewel er daarna wel weer wat meer gebouwd werd, bleven er veel huizen in die villaparken leegstaan. Oorzaak van die leegstand was, dat de bouwondernemingen uiterst speculatief waren. De procedure was namelijk, dat er grond gekocht werd en daarop huizen gebouwd werden om vervolgens te bezien of er huurders dan wel kopers gevonden konden worden. Deze werkwijze berustte dus niet op een feitelijke vraag naar huizen. Het gevolg was leegstand. Deze bleek ook uit de advertenties van makelaars. Er waren in Arnhem en omgeving landgoederen en herenhuizen te koop of te huur. Met enkele daarvan werd meer dan een jaar geadverteerd alvorens er gegadigden gevonden waren. In Arnhem waren er -de arbeiderswoningen buiten beschouwing gelaten- in iedere prijsklasse voldoende huizen te vinden. De huur van herenhuizen en villa's varieŽrde van achthonderd tot tweeduizend gulden per jaar. Een heel huis in de Boulevardwijk of het Ettypark was te huur voor een bedrag tussen de vierhonderd en achthonderd gulden per jaar. De boven- en benedenhuizen in het Spijkerkwartier deden tussen de tweehondervijftig en vierhonderdvijftig gulden per jaar. De koopprijzen varieŽrden van zesduizend tot vijfentwintigduizend gulden. De prijs van een vrijstaand landhuis aan de Velperweg kon oplopen tot vijfenzeventigduizend gulden. Voor hen die zelf wilden bouwen waren er voldoende percelen bouwterrein te koop in de villaparken van Etty, LŁps en Kooij. Er werden in die periode echter maar weinig echte villa's gebouwd. Hiermee zijn dan bedoeld vrijstaande (land)huizen, die in opdracht van een particulier door een architekt ontworpen zijn. Voorbeelden daarvan waren de villa's van H.J. van der Voort in de Betou en de heren Knoops en Buwalda aan de Velperweg, die van Jonkheer Asch van Wijk op de Menthenberg en het landhuis van H.A. van Leeuwen aan de Apeldoornseweg. In de Transvaalbuurt zouden maar twee van dergelijke villa's verrijzen, namelijk die van G. Andrť de la Porte aan de Cronjťstraat en die van Mr. Jhr. J.H.A. Elias aan de Sonsbeekweg. Er kan bij de overige bebouwing in de villaparken dan ook nauwelijks van echte villa's worden gesproken. Over het algemeen ging het om aaneengesloten bouw van herenhuizen, precies zoals dat in het Spijkerkwartier ook al het geval was geweest. De zogenaamde aannemersbouw in de villaparken was niet altijd even smaakvol uitgevoerd. In 1904 gingen er daarom stemmen op om een prijs in te stellen voor de mooiste gevel. Men hoopte zo de bouwondernemers, die vaak zonder architekt werkten, te stimuleren er toch iets moois van te maken: 'Welnu, dat mooie Arnhem late men nu toch niet nog verder ontsieren door den bouw van wanstaltige huizen. Wij hebben toch waarlijk al niet in het belang van onze gemeente gewerkt door toe te laten dat onze avenue royale [lees: Apeldoornseweg] werd bebouwd met huizen - zooals men het hoort zeggen: met varkenskotten er voor.' Toen B&W niet bereid bleken de prijs in te voeren, wilde de raad in 1910 een schoonheidscommissie in het leven roepen in verband met het ratjetoe aan bouwstijlen aan de Zijpendaalseweg. B&W stonden echter op het standpunt dat een schoonheidscommissie of bepalingen omtrent de bouwstijl de ontwikkeling van de villaparken eerder zou afremmen dan bevorderen.

De welgestelden en de villaparken

Naarmate de stadsuitbreiding in de nieuwe woonwijken vorderde, daalde de waarde van de herenhuizen in het centrum van de stad. Deze vermindering van de huurwaarde in de oude stadsdelen ging gepaard met een waardestijging van de huizen in de nieuwe stadswijken. Er ontstond een trek van de bewoners van het centrum naar de nieuwe wijken in de nabijheid van Sonsbeek. De vraag doet zich voor in welke stadsdelen de welgestelden nu eigenlijk woonden en of er sprake is van vestiging van welgestelden in de nieuwe villaparken. Wanneer men let op de grote concentraties welgestelden (personen die per jaar een inkomen van vijfduizend gulden hadden of meer), dan blijkt dat er grote continuÔteit is in de voorkeur van de welgestelden voor bepaalde straten en pleinen. Er heeft tussen 1880 en 1905 nauwelijks een verschuiving plaatsgevonden in de keuze van woonwijk, terwijl er zeker na 1900 voldoende woonruimte beschikbaar was in de nieuwe villaparken. Door gegevens uit adresboeken en belastingregisters te combineren zijn de welgestelden te lokaliseren. Zij woonden in 1904 nog op dezelfde plaats, waar ze in 1880 ook al te vinden waren. Namelijk aan de uitvalswegen van de stad, de Utrechtsestraat en -weg, de Amsterdamseweg, de Apeldoornsestraat en -weg, de Steenstraat en Velperweg. In het centrum stonden de huizen van de welgestelden in een ring om de oude binnenstad. Die liep via de Rijnkade, het Eusebiusplein, de Marktstraat, de Eusebiussingels, de Velpersingels en het Velperplein, de Janssingels, het Willemsplein en het Nieuwe Plein naar het Roermondsplein alwaar aansluiting gevonden werd op de Rijnkade. Ook waren er nog een aantal straten in de nabijheid van het station waar gefortuneerden woonden. Het waren de Bergstraat, de Coehoornstraat, de Brugstraat, de Betuwestraat en het Stationsplein zelf.

De villaparken bleken ook wat bewoners betreft nauwelijks aan de verwachtingen te voldoen. Slechts een gering aantal van hen voldeed aan het criterium van welgesteldheid. In het Spijkerkwartier was de Parkstraat de enige straat waar een behoorlijke concentratie welgestelden woonde. De Boulevard (later Boulevard Heuvelink) stelde wat dat betreft teleur. Van de tweehondervijfenveertig hoofdbewoners die de straat in 1904 telde waren er slechts zestien met een inkomen boven de vijfduizend gulden 's jaars. Het Ettypark c.q. Burgemeesterskwartier laten hetzelfde beeld zien. De enkele gefortuneerden die daar woonden hadden hun huizen in de straten die het eerst tot ontwikkeling waren gekomen zoals de Frombergstraat, de Beaulieustraat, de Bovenbergstraat en de Pels Rijckenstraat. Aan de later aangelegde Van Pallandt-, Lawick van Pab- en Sweerts de Landasstraat woonden maar enkele welgestelden. Aan de Zijpendaalseweg verdiende slechts zes van de vijfenzestig bewoners het predikaat welgesteld. De bewoners van het villapark Hulkestein vielen geen van allen in de inkomensgroep van meer dan vijfduizend gulden. Nagenoeg hetzelfde gold voor het villapark van LŁps aan de Velperweg. Daar woonde er ťťn, aan de Hoflaan. Hoewel de wijk wat later tot ontwikkeling kwam, was de situatie in de Transvaalbuurt dezelfde. Opvallend is dat meer dan de helft van de personen die zich hier vestigden uit Arnhem kwam en niet van buiten de stad. De schoonheid van Sonsbeek trok dus voornamelijk stadgenoten aan.

Het was met de bewoners van de villaparken al niet anders dan met de huizen waar zij in woonden. Ze maakten een welgestelde indruk. Dat kwam omdat ze vaak vooraanstaande burgers waren. Zij namen door hun funkties in de zakenwereld, het bedrijfsleven of de plaatselijk politiek een belangrijke plaats in in het openbare leven van de stad. Soms hadden zij klinkende Franse namen, adellijke titels of een hoge militaire rang en natuurlijk was niemand van hen arm. Voor het uiterlijk zullen de nieuwe wijken inderdaad een welgestelde indruk hebben gemaakt. Maar, de inkomenspositie van de bewoners maakt duidelijk dat het bij deze buurten eerder ging om middenstandswijken, dan om villaparken voor welgestelden.