De Arnhemmers nader beschouwd

Arnhem groeide in de negentiende eeuw van een kleine provinciestad met 14.500 inwoners in 1830 naar de op zes na grootste gemeente van Nederland in 1910 met ruim 64.000 inwoners. Beantwoordde nu de stad en haar bevolking aan het beeld van luxe-woonplaats voor welgestelden? Had het beleid van het gemeentebestuur op dit terrein enig effect gehad of was het een zorgvuldig gekoesterde wensdroom?

De bevolkingsgroei

Wanneer men de bevolkingsgroei in Arnhem vergelijkt met die van andere Nederlandse steden, dan blijkt dat er in Arnhem sprake is van een typische ontwikkeling. Arnhem kende een zeer sterke en explosieve groei vˇˇr 1880. Het leeuwendeel van die groei werd gevormd door de hoge vestigingsoverschotten. Na 1880 stagneerde de groei en nam ook het aandeel van de vestiging af. Na 1900 was er soms zelfs sprake van een vertrekoverschot. Arnhems aantrekkingskracht als vestigingsplaats voor welgestelden werd nogal eens afgeleid van de vestigings- en vertrekoverschotten. Dat is echter niet juist. De migratie in de negentiende eeuw werd grotendeels bepaald door de conjunctuur en economische factoren. Daarbij was werkgelegenheid een hoofdmotief. In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam het proces van verstedelijking in Nederland op gang. Tijdens de landbouwcrisis in de jaren tachtig en negentig werd de trek van platteland naar de stad pas werkelijk van betekenis. Bij de meeste steden zien we dan ook dat de vestiging pas na 1870 een rol ging spelen. Voor Arnhem ging die ontwikkeling niet op. Arnhem had haar grote groei in 1880 al achter de rug.

De oorzaak voor deze afwijkende ontwikkeling in Arnhem was, dat hier reeds vroeg in de negentiende eeuw stadsuitbreiding plaatsvond. Deze werd mogelijk gemaakt door het afbreken van de vestingwerken. De werkgelegenheid die de bouwaktiviteit met zich meebracht trok vele bouwvakkers en grondwerkers naar de stad. De grote aantallen migranten in Arnhem in de negentiende eeuw moeten dan ook voornamelijk in de bouwvakken gezocht worden. Het is belangrijk een onderscheid te maken tussen de mogelijke oorzaak voor de migratie -de eerste stadsuitleg- en de numerieke omvang daarvan. Na 1880 was er weinig werkgelegenheid in de bouw. Het duurde tot in de twintigste eeuw voordat deze weer enigzins 'aantrok'. Dat had zijn weerslag op de vestiging in Arnhem. De conjunctuur in de bouwvakken veroorzaakte een migratiebeweging van bouwarbeiders van en naar Arnhem. Wanneer er weinig werk in Arnhem was, weken de bouwvakkers veelal uit naar Duitsland. Een indicatie van dit grensverkeer met Duitsland geven de verslagen van het Burgerlijk Armbestuur. Zij gaf verklaringen van Nederlanderschap af aan diegenen die naar het buitenland wensten te gaan. Tussen 1886 en 1901 blijken veel bouwvakkers en ongeschoolde grondwerkers naar Duitsland te zijn vertrokken in de hoop daar een weekloon te kunnen verdienen. Wanneer deze aantallen vergeleken worden met de vertrekcijfers van Arnhem in die jaren, dan blijkt dat ongeveer een kwart van de mensen die Arnhem verlieten naar Duitsland gingen. Van hen was negentig procent arbeider op zoek naar werk. Het is dus zeer waarschijnlijk dat de grote mobiliteit in die periode zich heeft afgespeeld onder de arbeidende klasse. Het werkgelegenheidsaspect was het hoofdmotief voor vestiging of vertrek.

Bij de keuze van woonplaats door welgestelden speelden geheel andere motieven een rol. Deze zijn te typeren als zogenaamde woonfactoren. Hiermee worden bedoeld de omstandigheden die het wonen in een bepaalde plaats veraangenaamden. Zoals reeds gebleken is, speelden daarbij natuurschoon, belastingklimaat, culturele voorzieningen en de aanwezigheid van nutsbedrijven een belangrijke rol. Van belang voor de welgestelden was niet zozeer de werkgelegenheid, als de gerieflijkheden die men in een bepaalde gemeente kon verwachten. Daarnaast speelde mee of een plaats voldoende status had of op een bepaald moment 'in de mode' was.

Bij de migratie van welgestelden speelde de conjunctuur geen belangrijke rol. Op grond daarvan is de veronderstelling dat onder invloed van de suikercrisis in Nederlands-IndiŰ veel welgestelden Aenhem zouden hebben verlaten opmerkelijk. Het is mogelijk dat deze crisis en de landbouwcrisis in Europa gevolgen heeft gehad voor de inkomenspositie van de vaak vermogensafhankelijke welgestelden. Echter, of dat een reden is geweest voor vertrek uit Arnhem is niet waarschijnlijk. Waarheen had men immers moeten verhuizen en met welk voordeel? Een andere verklaring voor het veronderstelde vertrek van de gefortuneerden uit Arnhem na 1885 zou zijn, dat Arnhem haar bekoring had verloren. De stad zou niet langer in de gratie zijn en concurrentie ondervinden van andere woongemeenten zoals die in het Gooi, Den Haag, Haarlem, Nijmegen en de Arnhem omringende dorpen Oosterbeek en Velp. Deze verklaring ligt meer voor de hand, omdat ze beter aansluit bij de migratiemotieven van de welgestelden. Het verschijnsel van de gefortuneerde die de stad uittrok naar de omringende woondorpen was in die tijd al bekend. Arnhem ging er echter wat woongenot betreft, tussen 1885 en 1910 beslist niet op achteruit. Zoals bleek deed het gemeentebestuur er alles aan om dit op allerlei terrein te bevorderen. Het betrekkelijk gering aantal forensen vˇˇr 1910 geeft echter geen aanleiding om te veronderstellen dat het vertrek van welgestelden uit Arnhem van grote omvang is geweest. De trek naar de gemeenten Renkum en Rheden werd pas na 1909 van belang.

Leeftijd

De vestiging in de typische 'woonsteden' van Nederland werd gekenmerkt door een relatief groot aandeel van ouderen en gepensioneerden. Zij wilden immers hun levensavond genieten in de nabijheid van een mooie omgeving en hun elders verdiende kapitalen op aangename wijze kunnen verteren. Vergelijkt men de leeftijdsopbouw van Arnhem echter met die van een typische 'werkstad' als Rotterdam, dan blijkt echter niet dat Arnhem een groot aantal ouderen onder haar bevolking had. Ongeveer vijf procent van Arnhems bevolking was vijfenzestig jaar of ouder. Meer illustratief is de vergelijking met Baarn, een echt villadorp uit het Gooi, waar in 1889 negentwintig procent van de bevolking ouder dan zestig jaar was. Ook de categorie gepensioneerden zou enig licht kunnen werpen op de omvang van de groep welgestelden. Gepensioneerden telden renteniers en grondeigenaren onder hun gelederen en waren dan ook vaak in goeden doen. Omdat het aantal ouderen in Arnhem tussen 1885 en 1910 wel iets toenam, zou men ook een toename van het aantal gepensioneerden in Arnhem verwachten. Het tegendeel is echter het geval. Dit nu betekende dat, onder het voor een luxe-stad toch al geringe percentage ouderen, het aandeel van de beter gesitueerden steeds kleiner werd. Het is niet meer vast te stellen of het hierbij ging om vertrek uit Arnhem of sterfte. Opvallende ontwikkeling is wel, dat het aantal gepensioneerden weer toenam na 1900. Deze trend viel gelijk met het in ontwikkeling komen van de villaparken bij Sonsbeek.

Middelen van bestaan

Men zou iets meer te weten kunnen komen over Arnhems welgesteldheid, door te kijken naar de wijze waarop men in zijn bestaan voorzag. Sommige beroepen hadden nu eenmaal meer aanzien dan andere en sommige boden natuurlijk ook meer financieel perspectief. De bewoners van een villadorp als Baarn bleek voor een belangrijk deel te bestaan uit mensen die werkzaam waren in de geld- fondsen- en koophandel en het verzekeringswezen. Daarnaast zou het aantal mensen dat werkzaam was in de vrije beroepen zoals juristen en medici iets kunnen zeggen over de deftigheid te Arnhem. Ook de groep huis- en dienstpersoneel is van belang omdat de welgestelden voor een groot deel zorgden voor de werkgelegenheid in deze sector. Tussen 1889 en 1909 kende Arnhem een geringe groei in de nijverheidsector. Deze bleef achter bij Nederland als geheel en bij een vergelijkbare stad als Nijmegen. Al eerder werd geconstateerd dat er in Arnhem geen industriŰle geest heerste. De groei in de sector handel moet in eerste instantie worden toegeschreven aan de warenhandel. Arnhem ontwikkelde een sterke regiofunctie op dit gebied. De agrarische produkten uit de omgeving werden in Arnhem op de markten verhandeld. De verslagen van de Kamer van Koophandel geven een goed beeld van dit marktverkeer. Hoewel het succes van de markten wisselde, afhankelijk van de conjunctuur, namen de agrarische kleinmarkten in aantal en omvang toe. Met name de groente- en fruitveiling en de bloemenmarkt konden zich in een toenemende belangstelling verheugen. De zuivel- en pluimveehandel ging daarintegen in omvang en kwaliteit achteruit. Dat gold eveneens voor de graanhandel. Deze had te lijden onder de hoeveelheden Amerikaans graan die er op de Europese markten werd aangeboden. De voor de graanhandel speciaal gestichte Korenbeurs op de Korenmarkt heeft nooit aan de verwachting voldaan. Een groot aandeel in het marktverkeer heeft de tabakshandel ingenomen. Zowel de handel in inlandse tabak als die van Java en Sumatra groeide gedurende de gehele periode. Ook de expeditiehandel nam een belangrijke plaats in. Arnhem was een belangrijke schakel bij de doorvoer van verbruiksgoederen van en naar Nederland. De inklaringswaarde van de goederen die via Arnhem ons land binnenkwamen liep in de miljoenen guldens per jaar. Een ontwikkeling die zowel bij de expeditiehandel als de winkelnering in Arnhem is vast te stellen, is de afname van de handel in luxe-artikelen, terwijl die van gebruiksgoederen juist toenam.

Het aandeel van het bank- krediet- en verzekeringswezen in de economische aktiviteit is slechts zeer gering geweest. Er heeft een beperkt aantal personen variŰrend van enkele tientallen tot ten hoogste tweehonderdvijftig een betrekking in deze sector gehad. Hetzelfde kan gezegd worden van de vrije beroepen. Hier ging het om niet meer dan zo'n driehonderd personen die in deze beroepen een inkomen verwierven. In Arnhem waren een flink aantal mensen werkzaam in de huiselijke diensten. De grootste groep in deze sector werd gevormd door de vrouwelijke dienstboden. Zij waren verantwoordelijk voor negentig tot vijfennegentig procent van de drie- tot vierduizend personen die in huiselijke dienst waren. De twee- tot driehonderd mannen in huiselijke dienst moeten veelal huisbediende (butler) zijn geweest omdat de andere beroepen zoals chauffeurs, koetsiers en tuinlieden met niet meer dan enkele tientallen waren vertegenwoordigd. Welke conclusies met betrekking tot de omvang van de groep welgestelden zijn er nu op grond van het bovenstaande te trekken? De percentages die werkzaam waren in de vrije beroepen, het bank- krediet- en verzekeringswezen en de huiselijk diensten doen vermoeden dat er een relatief groot aantal welgestelden in Arnhem heeft gewoond. Echter het ging bij deze groepen om kleine aantallen in verhouding tot de totale bevolking. Ook blijft bij de bestudering van de beroepsstructuur een belangrijke categorie buiten beschouwing. Bedoeld is hier de groep 'particulieren'. De term dient te worden opgevat als een omschrijving voor de toestand van financiŰle onafhankelijkheid. De particulieren waren over het algemeen niet beroepsmatig aktief. Zij hadden geen inkomsten uit arbeid, maar uit rentegevende bezittingen. Bij de beroepentellingen waren zij opgenomen onder de categorie 'zonder beroep'. Het grote gemis bij de bestudering van de beroepsstructuur blijft, dat het geen feitelijk informatie oplevert over de inkomenspositie. Bij de bewoners van de villaparken was al gebleken dat zij weliswaar door beroep of positie in aanzien stonden, maar slechts zelden aanspraak konden maken op de typering welgesteld.

Inkomen

Men kan zich een goed beeld verschaffen van de inkomenspositie van de Arnhemmmers door gebruik te maken van gegevens van de plaatselijke inkomstenbelasting. De Arnhemse bevolking is hierbij ingedeeld in drie categorieŰn. Allereerst een groep met een jaarinkomen tot duizend gulden. Dat was het maximum dat een geschoold hoofdarbeider rond de eeuwwisseling kon verdienen. Vervolgens de middeninkomens met een jaarinkomen tussen de duizend en vijfentachtighonderd gulden. Tenslotte de groep hoogstaangeslagenen -de welgestelden- met een inkomen van vijfentachtighonderd gulden of meer. Bij de bestudering van de gegevens van de plaatselijke directe belastingen moet men echter wel bedenken dat de belastingschuldigen zelf aangifte moesten doen van hun inkomen en aangeven in welke belastingklasse de aanslag naar hun mening zou moeten vallen. Vooral bij de hogere inkomens hadden B&W weinig controlemogelijkheden. Zo waren de gegevens van de rijksvermogensbelasting voor het college niet beschikbaar. De Arnhemmers was niets menselijks vreemd en de aanslagen zullen dientengevolge nogal eens te laag zijn uitgevallen. Men kan constateren dat er een toename plaatsvond van het aantal belastingplichtigen in de laagste inkomensklassen en een afname van die in de middengroepen en hogere inkomensklassen. De groep hoogstaangeslagenen bleef tussen 1880 en 1910 zo'n half procent van de totale bevolking uitmaken. In verhouding tot de totale bevolking was hun aantal dalende. Meer illustratief is wellicht dat in Arnhem tot 1900 slechts vijftig procent van de gezinnen en alleenstaanden belasting betaalden. Personen met een jaarlijks inkomen beneden de vijfhonderd gulden waren namelijk vrijgesteld van de plaatselijke inkomstenbelasting.

Een andere bron die inzicht verschaft zijn de lijsten van hoogstaangeslagenen in de rijks directe belastingen in de Provincie Gelderland. Deze lijsten werden jaarlijks vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Gelderland en fungeerden als kandidatenlijsten voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer. Ze vormen een goede bron om een indruk te krijgen van de woonplaats van Gelderlands meest gefortuneerde inwoners. Het grootste deel van hen woonde in de grote stedelijke gemeenten Arnhem en Nijmegen. Arnhem blijkt als woonplaats in trek te zijn geweest. Ongeveer ÚÚnderde van Gelderlands meest gefortuneerden woonde in Arnhem.

De vraag blijft nu, of dat percentage welgestelden in Arnhem veel of weinig was voor een Nederlandse stad in die tijd. Bij vergelijking met Nijmegen -ook bekend als vestigingsplaats voor welgestelden- blijkt dat het aantal welgestelden in de totale bevolking in Arnhem veel groter is geweest. Ook waren de gemiddelde aanslagen in de rijksbelastingen en de plaatselijke inkomstenbelasting in Arnhem aanzienlijk hoger dan die in Nijmegen. Op grond hiervan zou Arnhem inderdaad hebben beantwoord aan het beeld van luxe-woonplaats voor welgestelden. Er woonden -in vergelijking met Nijmegen- een groot aantal welgestelden en zij vertegenwoordigden gemiddeld een groter kapitaal. Het relatief grote aantal welgestelden te Arnhem nam echter niet weg dat het hier om een klein aantal personen ging, een half procent van de bevolking, twee- tot driehonderd personen. Dat maakte tevens dat Arnhem zich niet kon meten met de woonnederzettingen in het Gooi zoals het villadorp Baarn, waar maar liefst tien procent van de bevolking het predikaat welgesteld verdiende.

Uit de bestudering van de inkomenspositie van de Arnhemse bevolking blijkt, dat er in Arnhem relatief veel welgestelden woonden. In de loop der jaren en met name na 1900 werd hun aandeel in de Arnhemse bevolking echter steeds kleiner. Dat werd niet veroorzaakt door een 'uittocht' van de welgestelden, maar veeleer doordat er geen nieuwe vestiging optrad, de groep door verlies aan inkomen kleiner werd en dit gegoede deel van de bevolking sterk verouderde en als het ware langzaam 'uitstierf'. Hoewel de Arnhemse welgestelden bezien op de gehele bevolking maar gering in aantal waren, hebben ze toch kans gezien een belangrijk stempel te drukken op de gemeentepolitiek. De ontwikkeling van Arnhem heeft lange tijd in het teken gestaan van het streven de stad voor hen op velerlei terrein zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Een verklaring daarvoor kan wellicht gevonden worden in de greep die de welgestelden hadden op het politieke bedrijf in de gemeente. De Arnhemse welgestelden hadden de politieke touwtjes stevig in handen. Hoewel hun invloed tanende was en hun vertegenwoordiging in de gemeenteraad na 1898 steeds kleiner werd, behielden de welgestelden tot in de twintigste eeuw een ruime meerderheid in de Arnhemse gemeenteraad. Bij een aantal raadsleden was er ook sprake van grote continu´teit in hun raadslidmaatschap. Sommigen onder hen waren meer dan vijfentwintig jaar politiek actief als raadslid of wethouder en konden zo een groot stempel drukken op het beleid dat het Arnhemse gemeentebestuur in die tijd ontwikkelde. Dit werd nog versterkt door het bestaan van familietradities in de plaatselijke politiek. Ook Arnhem kende haar raadsgeslachten. Over een langere periode waren het vaak dezelfde namen die terugkwamen in de gemeenteraad. De families, Scheidius, André de la Porte, Elias en van Tuijll van Serooskerken hebben voor meerdere generaties politici gezorgd. Zij behoorden tevens tot de meest welgestelde families in Arnhem. De continu´teit in de Arnhemse gemeenteraad werd dus gevormd door haar meest welgestelde inwoners. Zowel de ruime vertegenwoordiging van welgestelden in de raad als het bestaan van zogenaamde gezeten raadsgeslachten heeft daaraan bijgedragen. Het is wellicht mede deze omstandigheid geweest, die verantwoordelijk was voor de nadruk die de welgestelden in het beleid van het gemeeentebestuur hebben gekregen. Het ontstaan van het beeld van Arnhem als luxe-woonplaats is dan ook eerder het gevolg van het beleid dat het gemeentebestuur met betrekking tot hen voerde dan van de feitelijke omvang van deze groep in de Arnhemse samenleving.