Inleiding

Bij de bestudering van de geschiedenis van Arnhem, is het luxe karakter en de allure van de stad een steeds terugkerend thema. Het overheersende beeld is, dat Arnhem tussen 1850 en 1880 een grote toename van haar bevolking kende. Deze snelle en explosieve bevolkingsgroei wordt veelal toegeschreven aan de vestiging van welgestelden. Na 1880 zou deze ontwikkeling stagneren en Arnhem in een periode van nabloei verkeren. Indicatie hiervoor is doorgaans de afname van de vestigingsoverschotten. Na 1885 zou er zelfs een 'uittocht' van welgestelden ontstaan. Deze zou veroorzaakt zijn door de suikercrisis in Nederlands-IndiŽ. Daarnaast zou Arnhem aan het eind van de negentiende eeuw concurrentie ondervinden van andere woonsteden in Nederland zoals Den Haag, Haarlem, Nijmegen en enkele kleinere woongemeenten in het Gooi. Ook de omliggende gemeenten Renkum en Rheden zouden veel gefortuneerden uit Arnhem wegtrekken. Dit beeld is in de negentiende eeuw ontstaan en heeft zich tot op heden in de literatuur over Arnhem weten te handhaven.

De oorsprong van deze beeldvorming ligt waarschijnlijk bij de eerste stadsuitbreiding aan het begin van de negentiende eeuw. Arnhem kreeg in die tijd een welgesteld aanzien. Arnhem wilde ook een woonstad voor welgestelden zijn. Het streven van het gemeentebestuur om de stad op verschillende terreinen aantrekkelijk te maken voor de gefortuneerden is in latere jaren onmiskenbaar aanwezig. Het feit dat de welgestelden zo lang en duidelijk het onderwerp geweest zijn van gemeentelijke politiek zal hebben bijgedragen aan de beeldvorming.

Het idee dat het n 1885 bergafwaarts ging met de gemeente en dat vele welgestelden de stad zouden verlaten berustte op een aantal omstandigheden. Na 1880 namen de vestigingsoverschotten drastisch af. In combinatie met de suikercrisis in IndiŽ, die vaak consequenties had voor de vermogenspositie van de welgestelden, leidde dat tot de veronderstelling dat de ze de stad verlieten en dat de nieuwe vestiging van gefortuneerden stagneerde.

Een andere omstandigheid die ten grondslag lag aan de mening dat Arnhem niet meer in trek was als vestigingsplaats was gelegen in het feit dat er veel kapitale villa's en herenhuizen leegstonden. De nieuw gestichte villaparken kwamen slechts traag tot ontwikkeling. De gedachte dat de welgestelden de stad zelfs zouden verlaten werd veroorzaakt door bijvoorbeeld klachten uit het verenigingsleven. Er waren steeds minder leden, donateurs en contribuanten beschikbaar. Ook de instellingen op het gebied van de particuliere en kerkelijke liefdadigheid uitten hun ongenoegen over de teruglopende inkomsten uit bijdragen van burgers. De teloorgang van de Arnhemse sociŽteiten, zoals de BuitensociŽteit aan de Utrechtseweg en het dreigend faillisement van een andere recreatiegelegenheid voor welgestelden, de Planten- en Vogeltuin aan de Velperweg, werden gezien als aanwijzingen voor het vertrek van de gefortuneerden.

Het zijn al deze ontwikkelingen die hebben bijgedragen aan het beeld dat Arnhem na 1885 niet meer in trek was als vestigingsplaats voor welgestelden. Het streven van het gemeentebestuur om Arnhem aantrekkelijk te maken voor de gefortuneerden wekte de indruk dat Arnhem bij uitstek een geschikte woonplaats voor welgestelden was, of in ieder geval was geweest.