Hoe kom ik van A naar B?

Installatiewerk in oudbouw

Zomaar een school ergens in het land waar installatiebedrijf Klein Poelhuis uit Doetinchem voorzieningen moet treffen voor dataverkeer en brandveiligheid. Het gebouw stamt uit de late jaren vijftig van de vorige eeuw en door omstandigheden is er de laatste jaren geen onderhoud gepleegd. Dat resulteerde in de situatie dat de voorzieningen ook niet meer op het niveau van 2004 zijn en er fors geďnvesteerd moet worden om het gebouw up-to-date te krijgen čn te voldoen aan de normen die anno 2004 gelden. Complicerende factor is, dat het gebouw in 1987 voor de helft afbrandde en er weer nieuwbouw tegenaan ‘geplakt’ is, waardoor de elektrische installatie uit een combinatie van oud en nóg ouder bestaat. Kortom omstandigheden die in de dagelijkse praktijk van de installateur voor genoeg hoofdbrekens kunnen zorgen. De klus voor Klein Poelhuis is drieledig: men moet een netwerk aanleggen voor dataverkeer en een ontruimingsinstallatie en noodverlichting aanleggen in het kader van de brandveiligheid. Het dataverkeer en de zwakstroom ringleiding voor de brandmelding zijn formeel niet onderworpen aan NEN 1010. De noodverlichting uiteraard wél.

Willy Looman, de uitvoerder elektra aan het woord:
‘Het eerste probleem was natuurlijk het rare eigenaardige gebouw dat we moesten leren kennen. Soms waren de originele tekeningen niet meer voorhanden. Na de brand was er bij de aansluiting van het nieuwe op het oude gedeelte nogal wat geďmproviseerd.
Ook ligt het gebouw tegen een heuvel aangebouwd waardoor er per verdieping nogal wat verschil in niveau is. Dat maakte het extra ingewikkeld.
Je gaat dan op zoek naar mogelijkheden om je werk te kunnen maken. Is er ruimte onder de vloer? Kan ik gebruik maken van bestaande voorzieningen zoals kabelgoten? Een deel van de oude noodverlichting werkte bijvoorbeeld op 24 volt. We konden de bestaande bedrading daarvan gebruiken omdat die geschikt was voor 230 volt. Dan sloop je alle kasten en troep die er tussen zit, je monteert nieuwe armaturen en vervolgens sluit je het aan op het nieuwe netwerk.
Je moet door te proberen en te improviseren telkens oplossingen zien te vinden voor de problemen die je tegenkomt. Dat kun je niet zoals bij nieuwbouw allemaal van tevoren op de tekentafel bedenken. Ik denk dat ik bijna een week heb rondgekropen voordat ik een beeld had van hoe het gebouw eigenlijk in elkaar zat en hoe we de installatie konden maken. Oftewel, hoe kom ik van A naar B?
Doordat het om oudbouw ging ontkwamen we er niet aan om het werk voor een groot deel als opbouw uit te voeren. Dan wil je afgezien van veiligheid en goed werk ook nog eens mooi werk maken. Dat vereist voortdurend improvisatie. Soms moet je ook je materialen daarvoor aanpassen, omdat het standaardmateriaal net niet geschikt is voor het doel dat je op dat moment in die situatie beoogt. Het gaat dan altijd om een combinatie van veiligheid en functionaliteit. En als het kan moet het ook nog een beetje netjes ogen.
Een andere bijzonderheid in deze situatie was, dat de dagelijkse gang van zaken in de school gewoon doorging. Overleg met de school is dan van groot belang. Je kunt tijdens de Cito-toets nu eenmaal niet door muren gaan staan boren en tijdens de generale repetitie voor een muziekavondje ga je dan maar op een andere plek in de school aan het werk. Omdat je altijd leerlingen om je heen hebt, moet je voortdurend alles opruimen. Er zal maar iemand vallen over die pijp die je hebt laten liggen. Wanneer de kruipruimtes open gingen, was het altijd een zaak van hekjes plaatsen en iemand bij de opening in de vloer zetten. Soms hadden docenten andere wensen voor bijvoorbeeld de plaatsing van contactdozen. Wanneer je daarover goed overleg voert kun je toch telkens maatwerk leveren. Al deze omstandigheden zorgen er wel voor dat het werk van tevoren moeilijk in te schatten en dus ook moeilijk te calculeren is. Omdat het om aangenomen werk gaat loop je daarmee wel een financieel risico.
Bij het werk in dit soort projecten is NEN 1010 een goede richtlijn om naar te werken. Je zorgt op die manier voor een goede en constante kwaliteit van je werk, die vervolgens door anderen te controleren is. Nu is het met die controle wel zo dat er eigenlijk alleen geďnspecteerd wordt als het gaat om installaties boven de 100 ampčre. Pas dan verschijnt de keurmeester, die vooral let op veiligheid. Voor alles wat onder de 100 ampčre zit, dus zeg maar alle woonhuisinstallaties, geldt eigenlijk dat je eigen werk keurt. Wanneer een installatie klaar is komt er een ‘keurmeester’ van het eigen bedrijf die de zaak controleert en rapporteert. Dat rapport wordt getekend en gearchiveerd. En dat is het dan. Wanneer je voldaan hebt aan de norm die op dat moment van kracht was is het goed. En omdat je alles hebt gedocumenteerd kun je ook aangesproken worden op het werk dat je hebt verricht.
De grootste problemen in verband met veiligheid zitten echter niet bij het werk dat installatiebedrijven uitvoeren. Die zijn gewoon professioneel bezig. De risico’s ontstaan meestal pas nadat wij verdwenen zijn. Dan gaan bewoners en gebruikers zelf aan de slag om de installatie ‘geschikt’ te maken voor hun eigen doelen. De hele cultuur van doe-het-zelf en alle Tv-programma’s daaromheen wekken de suggestie dat het allemaal een fluitje van een cent is, dat het niets voorstelt. Je koopt je materiaal bij de bouwmarkt en je krijgt er nog een cursusje op een A-4tje bij. Dat levert natuurlijk uiteindelijk de gevaarlijke situaties op, want het materiaal dat de ‘doehetzellevert’ koopt voldoet wel aan de norm, maar het werk dat er mee verricht wordt meestal niet. Daar kijkt niemand meer naar. Er is geen gemeente of energiebedrijf of andere instantie die regelmatig ná de meter controleert. En dat zou wel een goede zaak zijn.

Willy Looman