NEN1010 en integraal ontwerpen

Met een 125-jarige geschiedenis, 1.750 werknemers en 13 vestigingen in binnen- en buitenland is Croon Elektrotechniek bepaald geen kleine speler in de markt van de installatiebranche. Het bedrijf is actief in de industrie, infrastructuur, logistiek, nutssector, offshore, scheepsbouw, utiliteit, zorg en onderwijs en het milieu. Om in al deze markten ‘aan de bal’ te blijven is voortdurende innovatie een voorwaarde. Croon beschikt daartoe over een Technology Competence Centre (TCC). Een kenniscentrum waar verbeterde technische toepassingen en dienstverlenende concepten worden ontwikkeld. Het TCC is onder andere gespecialiseerd in Integraal Ontwerpen in de Gebouwde Omgeving (IOGO). We spreken met Jan van Vliet, manager van het TCC en Leo van Ruijven senior-consultant.

Integraal ontwerpen
Van Vliet: ‘Het integraal ontwerpen is eigenlijk voortgekomen uit de scheepsbouw. Bij het maken van scheepsinstallaties ontkom je niet aan een hechte samenwerking met de andere disciplines omdat je vanwege de tijdsdruk meestal gelijktijdig aan het ontwerpen en bouwen bent. Dan ontstaat de behoefte om je werkmethodes aan te scherpen en af te stemmen op die van de anderen. Dat concept is later geďntegreerd in de plannen voor de stormvloedkering. We hebben meegewerkt aan de Maaslandkering in de Nieuwe Waterweg en daar is eigenlijk voor het eerst sprake geweest van zo’n integrale aanpak. Bij de integrale aanpak werk je in drie fasen. Op de eerste plaats het multidisciplinaire ontwerp. Vervolgens de realisering van het project en tenslotte komen de onderhoudsaspecten in beeld.
Van Ruijven: ‘Daar raak je eigenlijk twee belangrijke randvoorwaarden voor het integraal ontwerpen. De eerste is een zo groot mogelijke ontwerpvrijheid, met een beperkte set functionele randvoorwaarden. Een té gedetailleerd eisenpakket frustreert meestal de creativiteit, kennis en kunde. De tweede is de blik op de toekomst. Je kijkt verder dan het ontwerp en de uitvoering, je praat over de hele levenscyclus van een project, van ontwerp tot en met sloop. Uit deze aspecten volgt bijna automatisch een multidisciplinaire aanpak, waarbij je niet alleen kijkt naar de techniek, maar bijvoorbeeld ook bedrijfskundige aspecten en informatietechnologie meeneemt.’

Ontwerpvrijheid
‘Wanneer u stelt dat een grote ontwerpvrijheid van groot belang is en dat daarom een gedetailleerd eisenpakket eigenlijk ongewenst is, zou je –al doorredenerend- kunnen stellen dat een eisenpakket als de norm NEN1010 een beperking is voor het ontwerp en dat je dus als ondernemer en ontwerper niet zit te wachten op een dergelijk keurslijf.’
Van Vliet: ‘Het is natuurlijk in eerste instantie een uitvoerings- en veiligheidsnorm. Het is een vertaling van een gewenste situatie. Met die norm krijg je meer veiligheid. Maar naarmate de techniek voortschrijdt, wordt de norm ook specifieker.’
Van Ruijven: ‘Als het gaat om artikelen voor veiligheid is het gewoon handig. Dan gaat het om het toepassen van zinvolle generieke uitgangspunten voor een installatie. Anderzijds, als ik bijvoorbeeld denk aan de 2˝ % spanningsverlieseis, die is niet altijd handig, niet altijd zinvol. In bepaalde situaties, zou je, als je dan wat meer ruimte zou hebben, een eenvoudigere en goedkopere installatie kunnen maken die toch veilig en functioneel is. Dat soort eisen komt voort uit een heel algemene benadering van installaties, terwijl voor specifieke toepassingen vaak een betere oplossing denkbaar is.’
Van Vliet: ‘Bovendien werkt de norm op dit punt concurrentievervalsend, omdat tot grote ergernis van de installateurs, de nutsbedrijven zich op dit punt niet aan de norm hoeven te houden en wel die vrijheid hebben. Dus als een installatiebedrijf inschrijft op een project, waar ook een nutsbedrijf op inschrijft dan kunnen zij met veel dunnere kabels volstaan.’
Van Ruijven: ‘Daarentegen gedefinieerde begrippen waaronder de beschermingsgraden bijvoorbeeld, die zijn handig en eenduidig, dan weet je met elkaar waar je het over hebt.’

Aansluiting
‘Hebt u het idee dat deze norm voldoende aanknopingspunten naar andere disciplines biedt om in het kader van integraal ontwerpen succesvol en efficiënt te kunnen werken?'
Van Vliet: ‘De moeilijkheid is dat deze norm eisen stelt aan dingen, die voor andere disciplines dan een gegeven of een randvoorwaarde vormen. Die zullen dan ook aan de norm moeten voldoen. De aansluiting is soms moeilijk en je kunt er in je ontwerp voor kiezen een oplossing te bedenken waarmee je aan de norm ontkomt. Ik kan deze ruimte bijvoorbeeld elektrisch verlichten, maar misschien is het in bepaalde gevallen handiger om voor een zaklantaarn te kiezen.
Je hebt in een samenleving behoefte aan algemene richtlijnen. Daar stel je dan een dergelijke norm voor op. Maar op een gegeven moment is bijvoorbeeld door de voortschrijdende techniek de kwaliteit van de materialen zoveel beter dat je aan die algemene richtlijn geen behoefte meer hebt, die is dan achterhaald. Je gaat ook geen luchtwaardigheidseisen stellen aan een duikboot omdat dat net als een vliegtuig ook een vervoermiddel is. Dit soort generieke voorschriften hebben de neiging om aan alle zaken dezelfde eisen te stellen.’
Van Ruijven: ‘Een ander probleem is dat de voorschriften vaak gerelateerd zijn aan verouderde technieken of technologieën. De noodstop bij werktuigen bijvoorbeeld. Bij mijn weten staat in de norm nog steeds dat die uit een galvanisch circuit moet bestaan, terwijl je hier tegenwoordig bijvoorbeeld met behulp van glasvezel een net zo, dan wel veiligere oplossing kunt creëren. De NEN staat dat dan feitelijk niet toe omdat ze je vertellen hóe je het moet oplossen in plaats van voor te schrijven dat je een noodstop moet hebben met een bepaalde bedrijfszekerheid. In dat geval kun je voor een specifieke situatie de meest efficiënte oplossing kiezen. Dit is ook meer in de geest van integraal ontwerpen. Daar probeer je vanuit functies te denken en daar eisen voor te formuleren en dan oplossingen te bedenken.’

Voor en tegen
‘Wat zijn nu in uw ogen de belangrijkste voor- en nadelen van de norm zoals hij op dit moment gehanteerd wordt?’
Van Vliet: ‘Ook al zijn we niet elke dag tot in detail met de norm bezig, maar veel zaken zijn in de zin van veiligheid natuurlijk vanzelfsprekend. In wezen proberen we natuurlijk allemaal hetzelfde doel na te streven en dat is een veilige werkende installatie.’
Van Ruijven: ‘Je weet wat de geest is van de NEN1010 en in die geest ga je ontwerpen. Dat blijkt meestal achteraf wel te stroken met wat de bedoeling was.’
Van Vliet: ‘Waar gaat het eigenlijk om, dat is op de eerste plaats om aanrakingsgevaar en op de tweede plaats om brandgevaar te voorkomen. Wanneer bijvoorbeeld in een norm gedefinieerd wordt wat acceptabel is als maximaal spanningsniveau in verband met aanrakingsgevaar en maximaal toelaatbare warmteontwikkeling in relatie tot brandgevaar, dan ontstaat er een maximale ontwerpvrijheid en zijn er duidelijke toetsingscriteria aanwezig om te bepalen of het ontwerp voldoet. Als er geen norm is, zul je zelf moeten aantonen dat de zaak veilig was en dat is een stuk moeilijker. De norm geeft onbedoeld ook een zekere bescherming tegen buitenlandse concurrentie door het specifieke karakter. Hierdoor wordt het nadeel dat zij complex is, in die gevallen een voordeel.’
Van Ruijven: ‘Er zit soms nogal wat inconsistentie tussen de artikelen. Het is niet altijd eenduidig wat geldig is en welke artikelen in welke situatie van toepassing zijn. Als je er niet uitkomt ga je maar een trapje hoger zitten in de eisen die je stelt en maak je een installatie wat zwaarder zodat je in ieder geval safe zit. Dan neem je een ‘worst case scenario’ als uitgangspunt, maar daar heb je het weer: dan maakt de norm wel duur.
Veel veiligheidsrisico’s ontstaan door menselijk gedrag en ik ben bang dat je dat met geen enkele veiligheidsnorm voor honderd procent kunt afdekken. Dan rest alleen de vraag: wat vind je een maatschappelijk aanvaardbaar risico afgezet tegen efficiency en het kostenaspect.’

Leo van Ruijven & Jan van Vliet